De zaak in het kort
De rechtbank Den Haag heeft een uitspraak gedaan over de invordering van een last onder dwangsom opgelegd aan een lid van de Vereniging van Eigenaars (VvE) van een pand. De eiser had tegen de last onder dwangsom geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor deze onherroepelijk was geworden. De eiser betwistte de invorderingsbeschikking, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die de invordering zouden kunnen verhinderen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag ging daarom over tot het invorderen van de dwangsom.
Het verloop van het proces en de feiten
De kwestie begon in september 2019 toen toezichthouders de staat van onderhoud van het pand onderzochten en constateerden dat deze niet voldeed aan het Bouwbesluit 2012. Hierdoor werd op 5 december 2019 een last onder dwangsom opgelegd aan de eiser, met een deadline tot 10 april 2020 om de gebreken te herstellen. Door interne miscommunicatie binnen het college werd echter pas later gecontroleerd of aan deze eisen was voldaan, wat leidde tot een nieuwe last onder dwangsom op 16 maart 2022. De eiser maakte geen bezwaar tegen deze laatste beslissing.
Bij een inspectie op 9 augustus 2022 bleek dat de gebreken niet waren verholpen, wat resulteerde in de invordering van de dwangsom op 19 oktober 2022. Deze werd opgelegd aan zowel de eiser als aan het andere lid van de VvE, [bedrijf] B.V., omdat de situatie niet was verbeterd. Het college handhaafde de invorderingsbeschikking na bezwaar van de eiser.
Tijdens de rechtszitting op 5 februari 2025, waar de eiser niet verscheen, werd het onderzoek geschorst. Op 6 november 2025 werd de zaak opnieuw behandeld zonder aanwezigheid van partijen. De rechtbank ging door met de zaak nadat was vastgesteld dat beide partijen correct waren uitgenodigd.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank moest beoordelen of er reden was om van de invordering van de dwangsom af te zien. Volgens het verweerschrift had [bedrijf] B.V. de dwangsom al betaald, maar de rechtbank kon niet uitsluiten dat de eiser toch belang had bij een uitspraak, bijvoorbeeld vanwege een mogelijk regresrecht van [bedrijf] B.V.
Met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 bleef het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing op de last onder dwangsom. Het college had de last onder dwangsom immers vóór 1 januari 2024 opgelegd, wat betekent dat het Bouwbesluit 2012 van toepassing bleef.
De rechtbank oordeelde dat het college bij het besluit tot invordering aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moest toekennen. Dit zou het gezag van het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom onderstrepen. Adequate handhaving vereist dat opgelegde sancties, zoals dwangsommen, worden nagekomen.
De eiser voerde aan dat de beslissing in strijd was met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het college niet duidelijk had onderbouwd waarom de dwangsom was opgelegd. De eiser stelde dat er wel werkzaamheden waren uitgevoerd en dat er geen sprake was van gevaar. Echter, de rechtbank vond dat de eiser geen rechtsmiddelen had aangewend tegen de oorspronkelijke last onder dwangsom, waardoor het besluit onherroepelijk was geworden. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgezien, iets wat naar het oordeel van de rechtbank niet het geval was.
De rechtbank concludeerde dat de vastgestelde gebreken tijdens de inspectie op 9 augustus 2022 niet waren hersteld, ondanks de bewering van de eiser dat er wel werkzaamheden waren uitgevoerd. De toezichthouder had zijn bevindingen tijdens de controle beschreven in een e-mail met bijgevoegde foto’s, waaruit bleek dat de gebreken nog aanwezig waren. De rechtbank achtte deze documentatie voldoende als bewijs dat de situatie ongewijzigd was gebleven.
De rechtbank verklaarde het beroep van de eiser ongegrond en stelde dat de eiser geen recht had op vergoeding van proceskosten of teruggave van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter mr. A.J. van der Ven, met mr. I. Ince als griffier, en werd uitgesproken op 18 december 2025. Partijen werden geïnformeerd dat zij binnen zes weken hoger beroep konden aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




