De zaak in het kort
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag zich gebogen over een geschil omtrent de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Leiden aan Domu Praesto Amsterdam B.V. De vergunning betreft de wijziging van de gebruiksfunctie van een pand in Leiden van onzelfstandig wonen naar gebruik als hotel. De nabij wonende eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van deze vergunning op diverse gronden, waaronder de toepassing van de kruimelgevallenregeling, het niet voldoen aan fietsparkeernormen en het ontbreken van toestemming van de Vereniging van Eigenaren (VvE).
Het verloop van het proces en de feiten
Op 12 april 2019 verleende het college een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een kantoorpand naar 19 woonstudioās. Vervolgens werd op 8 juni 2020 een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de gebruiksfunctie van onzelfstandig naar zelfstandig wonen. Op 23 november 2020 volgde een vergunning voor de sloop en herbouw van het pand. Uiteindelijk diende de vergunninghoudster op 12 juli 2021 een aanvraag in voor het wijzigen van de gebruiksfunctie naar een hotel.
Het college verleende deze laatste vergunning op 31 januari 2022, en handhaafde het besluit op 18 juli 2022. De eiser stelde hiertegen beroep in, wat resulteerde in een behandeling van de zaak op 19 september 2025. De rechtbank ontving na deze zitting nog een brief van eiser met een bijlage, maar besloot dat deze geen aanleiding gaf tot heropening van het onderzoek.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de kruimelgevallenregeling toepaste. Dit was mogelijk omdat de vergunning voor de bouw reeds was verleend, en het bouwwerk ten tijde van het besluit was gerealiseerd. De rechtbank meende dat het college correct had gehandeld door de activiteit ābouwenā buiten beschouwing te laten, omdat de wijziging van het gebruik geen nieuwe bouwactiviteiten vereiste die afweken van de reeds verleende vergunning.
Wat betreft de beleidsregels voor fietsparkeren, oordeelde de rechtbank dat het college voldoende had gemotiveerd dat er geen specifieke fietsparkeernormen voor hotels zijn opgenomen in de beleidsregels. De vier geplande fietsparkeerplaatsen voor werknemers werden als voldoende beschouwd.
De rechtbank verwierp ook het betoog dat de aanvraag door de VvE had moeten worden gedaan. Omdat de vergunninghoudster eigenaar was van alle appartementsrechten, was er geen privaatrechtelijke belemmering voor het indienen van de aanvraag.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het college terecht aparte aanvragen voor brandveilig gebruik en het plaatsen van airconditioning units toestond, omdat deze niet onlosmakelijk samenhangen met de gebruikswijziging van het pand.
Ten aanzien van het akoestisch onderzoek, dat eiser onvoldoende achtte, oordeelde de rechtbank dat het college afdoende aannemelijk had gemaakt dat het onderzoek objectief en deugdelijk was, mede omdat het advies van de Omgevingsdienst positief was.
Tot slot verwierp de rechtbank het argument van eiser dat het gebruik als hotel in strijd zou zijn met de Huisvestingsverordening. Een toetsing aan deze verordening was niet relevant voor de omgevingsvergunning.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit van het college in stand blijft. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug, en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Partijen hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Dit moet binnen zes weken na verzending van de uitspraak gebeuren. Bij spoed kan een voorlopige voorziening worden aangevraagd.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



