De zaak in het kort
Deze zaak betreft een kort geding tussen [partij A] en [partij B] over een huurconflict. [partij A], de verhuurder, heeft [partij B], de huurder, gedagvaard met de eis tot ontruiming van de woning en betaling van achterstallige en toekomstige huurpenningen. [partij B] heeft daarentegen een tegenvordering ingediend voor herstel van gebreken aan de woning en een verbod voor [partij A] om haar de toegang tot een parkeerterrein te ontzeggen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft de vorderingen van beide partijen afgewezen en bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Het verloop van het proces en de feiten
[partij A] is de eigenaar en verhuurder van een woning die hij sinds 2017 verhuurt aan [partij B] voor een maandelijkse huur van € 900. [partij B] woont er met twee minderjarige kinderen. Het geschil begon toen [partij A] [partij B] informeerde dat er naast de huur een extra bedrag van € 300 per maand betaald moest worden voor de Vereniging van Eigenaars (VvE), wat [partij B] betwistte. [partij B] reageerde met klachten over gebreken in de woning en eiste huurvermindering.
In augustus 2025 stelde [partij B] via haar advocaat dat er gebreken waren die een huurverlaging rechtvaardigden en eiste zij een terugbetaling van teveel betaalde huur. Ze stopte met huur betalen in oktober 2025. De gemeente Den Haag onderzocht later de gebreken en stelde een conceptbesluit op tegen [partij A]. Kort voor de zitting betaalde [partij B] een deel van de achterstallige huur.
[partij A] vorderde in het kort geding ontruiming van de woning en betaling van achterstallige en toekomstige huurpenningen. [partij B] voerde aan dat zij recht had op huurvermindering vanwege de gebreken en stelde een tegenvordering in voor herstel van de gebreken en toegang tot het parkeerterrein.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering tot ontruiming niet toewijsbaar was. Er was sprake van een geschil over de huurprijs en de gebreken in de woning, die mogelijk een opschorting van de huurbetalingen rechtvaardigden. Gezien de situatie van [partij B] en haar kinderen, en het feit dat een deel van de huurachterstand was ingelopen, was ontruiming niet gerechtvaardigd zonder een oordeel in een bodemprocedure.
De vordering van [partij A] voor betaling van achterstallige en toekomstige huurpenningen werd ook afgewezen. Het was niet duidelijk of [partij B]’s beroep op opschorting of verrekening van de huur zou slagen, dus kon niet met zekerheid worden gesteld dat een bodemrechter deze vorderingen zou toewijzen.
In reconventie werd [partij B]’s eis voor herstel van gebreken afgewezen. De voorzieningenrechter vond dat er geen definitieve beslissing over de gebreken kon worden genomen voordat de gemeente een definitief besluit had genomen over de gebrekenlijst. Ook haar vordering om de toegang tot het parkeerterrein te behouden werd afgewezen, omdat er geen aanwijzingen waren dat [partij A] haar opnieuw de toegang zou ontzeggen.
De rechtbank besloot dat er geen gronden waren om de vorderingen van beide partijen toe te wijzen en compenseerde de proceskosten, zodat elke partij haar eigen kosten droeg.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



