De zaak in het kort
In deze zaak stonden twee verzekeraars, Allianz Benelux N.V. en Nationale-Nederlanden Schadeverzekeringmaatschappij N.V., tegenover IM Group B.V. en IMG II B.V. De zaak draaide om brandschade die was ontstaan door een defect in een accupakket van een elektrische scooter, verkocht door IM c.s. De verzekeraars vorderden schadevergoeding van IM c.s., stellende dat zij als producenten aansprakelijk waren voor het gebrekkige product. De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 2 van de Bedrijfsregeling Brandregres (BBr) 2014.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 8 augustus 2020 ontstond er brand bij een vestiging van Domino’s Pizza door een defect in een oplaadbaar accupakket van een elektrische scooter van het merk Ecooter. Deze scooters waren door IM c.s. geïmporteerd vanuit China en vervolgens in Nederland verkocht. De brand richtte aanzienlijke schade aan, zowel aan de vestiging van Domino’s als aan de bovenliggende appartementen die toebehoorden aan de Vereniging van Eigenaars (VvE).
De verzekeraars hadden de schade aan de VvE vergoed en stelden IM c.s. aansprakelijk voor de schade, omdat het accupakket een gebrek vertoonde dat bij normaal gebruik brand veroorzaakte. IM c.s. verweerden zich door te stellen dat de Bedrijfsregeling Brandregres 2014 hen vrijwaarde van aansprakelijkheid, tenzij er sprake was van onzorgvuldig handelen of nalaten.
Tijdens het proces werd uitgebreid stilgestaan bij de oorzaak van de brand. Uit onderzoek door DEKRA Certification B.V. bleek dat de stekkerpennen van de lader te dun waren voor de stekkerbussen van de accu, wat leidde tot oververhitting en uiteindelijk brand. De verzekeraars stelden dat IM c.s. als producenten aansprakelijk waren, aangezien zij het product in de Europese Economische Ruimte hadden geïmporteerd en op de markt gebracht.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest beoordelen of de regresvordering van de verzekeraars toewijsbaar was op basis van de BBr 2014. Artikel 2 van de BBr 2014 bepaalt dat verzekeraars hun regresrecht jegens niet-particulieren alleen kunnen uitoefenen indien de aansprakelijkheid verband houdt met onzorgvuldig handelen of nalaten.
De rechtbank oordeelde dat voor toewijzing van de vordering van de verzekeraars er sprake moest zijn van verwijtbaar handelen of nalaten van IM c.s. De enkele aansprakelijkheid op basis van de verkeersopvattingen was volgens de rechtbank onvoldoende. De rechtbank concludeerde dat de verzekeraars niet hadden aangetoond dat IM c.s. onzorgvuldig hadden gehandeld of nagelaten, aangezien er geen bewijs was dat IM c.s. wisten of hadden moeten weten van het specifieke gebrek in de accupakketten.
Uiteindelijk wees de rechtbank de vorderingen van de verzekeraars af, omdat de verzekeraars niet hadden voldaan aan hun stelplicht om aan te tonen dat IM c.s. daadwerkelijk verwijtbaar hadden gehandeld. De rechtbank veroordeelde de verzekeraars in de proceskosten, die werden begroot op € 12.467,00.
Met deze uitspraak werd duidelijk dat de BBr 2014 strengere eisen stelt aan de mogelijkheid voor verzekeraars om regres te nemen op zakelijke partijen, waarbij het niet voldoende is om enkel te wijzen op een gebrekkig product zonder bewijs van onzorgvuldig handelen of nalaten door de partij die het product in het verkeer heeft gebracht.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




