De zaak in het kort
De rechtbank Gelderland heeft op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de verlening van een omgevingsvergunning voor een dakterras bij een bovenwoning in Arnhem. De eiseres, die onder de bovenwoning woont, was het niet eens met de vergunning en bracht verschillende bezwaren naar voren. De rechtbank oordeelde echter dat het college van burgemeester en wethouders van Arnhem de vergunning terecht heeft verleend. De belangrijkste vraagstukken in deze zaak waren het al dan niet bestaan van een evidente privaatrechtelijke belemmering, de vraag of het college een vergunning achteraf kon legaliseren, de afweging van de belangen van de eiseres en de vraag of er aanleiding was voor schadevergoeding vanwege te late besluitvorming.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 24 oktober 2023 verleende het college van burgemeester en wethouders van Arnhem een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een dakterras en het plaatsen van een hekwerk. Dit besluit was in strijd met het bestemmingsplan, maar werd desondanks verleend. De eiseres maakte bezwaar tegen het besluit, wat resulteerde in een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Uiteindelijk stelde zij beroep in tegen het besluit van 28 maart 2025, waarin het college zijn besluit handhaafde. Ondanks het aanvankelijke verzoek van de rechtbank om zonder zitting verder te gaan, stond de eiseres erop dat er een zitting plaatsvond op 27 oktober 2025.
Tijdens de procedure zijn verschillende stukken en reacties uitgewisseld tussen de betrokken partijen. De eiseres diende nadere stukken in, en zowel het college als de vergunninghouder reageerden hierop. Uiteindelijk besloot de gemachtigde van de eiseres af te zien van een toelichting ter zitting.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering was die de verlening van de vergunning in de weg stond. De splitsingsakte van de appartementsrechten uit 2015 noemde het dakterras en het gebruik ervan expliciet, wat betekent dat de benodigde toestemming van de vereniging van eigenaren niet als belemmering kon worden gezien. Verder stelde de rechtbank dat het college beleidsruimte had om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan, mits de belangen voldoende werden afgewogen. Het college had volgens de rechtbank voldoende uitgelegd waarom een vergunning was verleend ter legalisatie van de bestaande situatie.
De belangen van de eiseres waren volgens de rechtbank voldoende afgewogen. Het dakterras en hekwerk waren vergelijkbaar met die van een naastgelegen woning en pasten binnen de stedelijke omgeving. De door de eiseres gevreesde gevaarzetting voor haar eigendom kwam niet aan de orde in deze procedure, omdat er geen sprake was van een onrechtmatig besluit.
Ten aanzien van de schadevergoeding wegens te late besluitvorming stelde de rechtbank vast dat de eiseres al een dwangsom had ontvangen voor het niet tijdig beslissen. Het besluit zelf was niet onrechtmatig en er was geen aanleiding om de door de eiseres genoemde schadeposten te vergoeden. De totale duur van de procedure was volgens de rechtbank niet in strijd met artikel 6 van het EVRM, mede door de proceshouding van de gemachtigde van de eiseres die de procedure nodeloos had vertraagd.
Als conclusie verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. De omgevingsvergunning voor het dakterras en het hekwerk bleef in stand en de eiseres kreeg geen teruggave van het griffierecht of vergoeding van haar proceskosten. Ook had zij geen recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Partijen die het niet eens zijn met deze uitspraak kunnen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dringende gevallen kan een verzoek om voorlopige voorziening worden ingediend.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




