De zaak in het kort
Een huurder onder beschermingsbewind, vertegenwoordigd door een bewindvoerder, heeft de Huurcommissie verzocht om een tijdelijke huurverlaging van 70% vanwege ernstige gebreken in de gehuurde woning, zoals schimmel en houtrot. De Huurcommissie heeft besloten tot een verlaging van 30%, omdat zij van mening was dat de huurder het herstel bemoeilijkte. De verhuurder was het oneens met deze beslissing en vorderde bij de rechtbank dat er geen huurkorting zou worden toegekend. De kantonrechter heeft de verlaging van 30% bevestigd, maar op andere gronden dan de Huurcommissie.
Het verloop van het proces en de feiten
De huurder, bijgestaan door een bewindvoerder, huurt sinds 2010 een woning met een huurprijs van €490,- per maand, exclusief servicekosten. In 2021 werd de huurder onder beschermingsbewind geplaatst. In april 2024 meldde de gemachtigde van de huurder aan de verhuurder dat er ernstige gebreken waren, waaronder schimmel en houtrot, en verzocht om herstel en tijdelijke huurverlaging. Toen herstel uitbleef, diende de bewindvoerder een verzoek in bij de Huurcommissie, die na onderzoek en een hoorzitting in november 2024 besloot tot een tijdelijke huurverlaging van 30% vanaf mei 2024.
De verhuurder dagvaardde de bewindvoerder in december 2024 en betwistte de beslissing van de Huurcommissie, stellende dat de gebreken aan de huurder toe te rekenen waren, bijvoorbeeld door onvoldoende ventilatie. In maart 2025 werd de vordering van de verhuurder bij verstek toegewezen. De bewindvoerder ging hiertegen in verzet, vorderend dat de uitspraak van de Huurcommissie naar 70% huurverlaging zou worden aangepast.
Tijdens de zitting in augustus 2025 stelde de bewindvoerder dat de huurder wel degelijk had gereageerd op verzoeken voor herstelafspraken en dat de vertraging niet aan de huurder te wijten was. De huurder had contact opgenomen met de firma die door de VvE was ingeschakeld voor herstelwerkzaamheden, wat de bewindvoerder met e-mailberichten onderbouwde. De verhuurder stelde echter dat de huurder het herstel had vertraagd.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter stelde vast dat de vocht- en schimmelproblemen significante gebreken waren die het woongenot van de huurder substantieel schaadden. De verhuurder had onvoldoende onderbouwd dat deze problemen door de huurder werden veroorzaakt. Daarnaast bleek niet dat de huurder het herstel had vertraagd, zoals de verhuurder had gesteld.
De kantonrechter oordeelde dat de Huurcommissie terecht een tijdelijke huurverlaging had toegekend, maar vond een verlaging van 70% niet evenredig. De kantonrechter hield rekening met het feit dat de verhuurder afhankelijk was van de medewerking van de VvE en dat de oorzaak van de vochtproblemen buiten het gehuurde lag. Hierdoor werd een huurverlaging van 30% redelijk geacht, geldig van mei 2024 tot juni 2025, waarna de oorspronkelijke huurprijs weer van kracht zou zijn.
De bewindvoerder werd in het gelijk gesteld betreffende het verzet tegen het verstekvonnis, en de vorderingen van de verhuurder werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, wat betekent dat beide partijen hun eigen kosten moesten dragen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat inhoudt dat het direct kon worden uitgevoerd ondanks eventueel hoger beroep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




