De zaak in het kort
In deze zaak is de bewindvoerder van een huurder naar de Huurcommissie gestapt vanwege ernstige gebreken in de gehuurde woning. De Huurcommissie besloot de huurprijs tijdelijk met 30% te verlagen, te beginnen vanaf 1 mei 2024. De verhuurder was het hier niet mee eens en vroeg de rechtbank om te verklaren dat de huurder geen recht had op deze huurkorting. De huurder wilde juist een grotere huurkorting van 70%. De kantonrechter kwam tot dezelfde huurprijsvermindering als de Huurcommissie, maar op basis van andere overwegingen.
Het verloop van het proces en de feiten
De huurder, vertegenwoordigd door een bewindvoerder, huurt sinds 2010 een woning van de verhuurder. De woning heeft te kampen met ernstige vocht- en schimmelproblemen, zoals houtrot en vochtplekken, die het woongenot aanzienlijk beperken. De huurder had de verhuurder verschillende keren verzocht om de gebreken te verhelpen, maar kreeg geen gehoor. Daarom stapte de bewindvoerder naar de Huurcommissie, die na een onderzoek en een mondelinge behandeling besloot de huur tijdelijk te verlagen. De Huurcommissie stelde dat de geconstateerde gebreken in de categorie C vielen, maar matigde de gebruikelijke huurkorting van 60% tot 30%, omdat ook de huurder volgens hen een aandeel had in de vertraging van de herstelwerkzaamheden.
Ondertussen had de verhuurder de huurder gedagvaard om een rechterlijke verklaring te verkrijgen dat de huurverlaging niet van toepassing was. In eerste instantie kreeg de verhuurder gelijk via een verstekvonnis, omdat de bewindvoerder niet op tijd reageerde. De bewindvoerder ging echter in verzet tegen dit verstekvonnis. In een parallelle procedure had de verhuurder ook geprobeerd de huur op te zeggen wegens slecht huurderschap, wat door de rechter werd afgewezen.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat de bewindvoerder terecht in verzet was gegaan en vernietigde het eerdere verstekvonnis. De rechter stelde vast dat de geconstateerde schimmel- en vochtproblemen inderdaad ernstige gebreken waren die het woongenot van de huurder wezenlijk schaadden. De verhuurder had niet voldoende aangetoond dat deze problemen aan de huurder te wijten waren, noch dat de huurder het herstelwerk had vertraagd.
Hoewel de situatie aanleiding gaf tot een huurprijsvermindering, besloot de kantonrechter dat een verlaging van 30% redelijk was, gezien de complexe situatie waarbij de oorzaak van de gebreken niet in het gehuurde lag en de verhuurder afhankelijk was van de medewerking van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van het gebouw. De huurkorting ging in op 1 mei 2024 en eindigde op 1 juni 2025, toen de gebreken waren verholpen. Beide partijen waren deels in het ongelijk gesteld, waardoor de proceskosten werden gecompenseerd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het meteen uitgevoerd kan worden.
De rechter benadrukte dat huurprijsvermindering weliswaar mogelijk is bij ernstige gebreken, maar deze moet ook evenredig zijn aan de situatie en rekening houden met alle betrokken omstandigheden, zoals de inspanningen van de verhuurder om het probleem op te lossen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




