De zaak in het kort
Deze civiele rechtszaak, behandeld door de rechtbank Limburg, betreft een geschil over de verdeling van een nalatenschap. De eiser, [eiser], heeft de gedaagden, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], aangeklaagd vanwege de verdeling van de nalatenschap van [erflater]. Zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] zijn erfgenamen, waarbij [gedaagde sub 1] tevens fungeerde als (voormalig) executeur van de nalatenschap. De eiser beweert dat bepaalde goederen bij de verdeling van de nalatenschap zijn overgeslagen en dat de gedaagden nalatenschapsgoederen hebben verzwegen. Tegelijkertijd eist [eiser] dat de gedaagden bepaalde betalingen terugbetalen die volgens hem ten onrechte als nalatenschapskosten zijn geboekt.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een reeks tussenvonnissen, waarbij de rechtbank in verschillende fasen beslissingen heeft genomen over de verdeling van de nalatenschap. De rechtbank heeft vastgesteld dat bepaalde goederen over het hoofd zijn gezien bij de verdeling van de nalatenschap en dat deze goederen opnieuw moeten worden verdeeld. De eiser stelde dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] opzettelijk nalatenschapsgoederen hebben verzwegen, waarvoor hij een beroep deed op artikel 3:194 lid 2 BW, waardoor de betreffende erfgenamen hun aandeel in deze goederen zouden verliezen.
De rechtbank heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de kosten die als nalatenschapskosten waren geboekt. Het ging onder meer om opnamen en overboekingen door [gedaagde sub 1], kosten voor rechtsbijstand en advies voor [gedaagde sub 1], en betalingen ten behoeve van [naam 3], die ook een erfgenaam is. De rechtbank heeft vastgesteld dat een aanzienlijk deel van de geclaimde nalatenschapskosten niet gerechtvaardigd was en daarom opnieuw moest worden verdeeld tussen de erfgenamen.
Daarnaast is er een geschil ontstaan over de woonlasten van een woning die door [naam 3] werd bewoond. De rechtbank oordeelde dat deze kosten niet ten laste van de nalatenschap zouden moeten komen, aangezien [naam 3] vanaf 2015 in de woning woonde zonder huur of andere gebruiksvergoeding te betalen.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde sub 1], in haar rol als executeur, wist dat bepaalde kosten niet ten laste van de nalatenschap konden komen, maar deze toch als zodanig heeft geboekt. Hierdoor achtte de rechtbank bewezen dat [gedaagde sub 1] opzettelijk nalatenschapsgoederen heeft verzwegen, waardoor zij haar aandeel in deze goederen verliest volgens artikel 3:194 lid 2 BW. Dit betreft onder andere de kosten voor opnamen en overboekingen en de kosten voor rechtsbijstand en advies.
De rechtbank heeft de bedragen die als niet-gerechtvaardigde nalatenschapskosten zijn aangemerkt opnieuw verdeeld onder de erfgenamen. [eiser] en [gedaagde sub 2] ontvangen een groter aandeel van deze bedragen ten koste van [gedaagde sub 1]. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [naam 3] niet opzettelijk goederen heeft verzwegen, waardoor hij zijn aandeel in de goederen niet verliest.
Verder heeft de rechtbank beslist dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun medewerking moeten verlenen aan de overdracht van onroerend goed aan [eiser] en [naam 3]. Mocht deze medewerking uitblijven, zal het vonnis in de plaats treden van de vereiste handtekeningen op de leveringsakte.
Ten slotte heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd, aangezien er sprake is van een familiekwestie, en heeft zij de beslagkosten toegewezen aan [eiser]. De vorderingen van [gedaagde sub 2] in reconventie zijn grotendeels toegewezen, inclusief de levering van een onroerende zaak aan haar, met de verplichting voor [eiser] en [gedaagde sub 1] om hun medewerking te verlenen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




