De zaak in het kort
In een geschil tussen een huurder en een verhuurder heeft de Rechtbank Limburg een uitspraak gedaan over de terugbetaling van een waarborgsom na beëindiging van een huurovereenkomst. De huurder, die samen met een andere persoon een woonruimte huurde, vorderde de volledige terugbetaling van de waarborgsom. De verhuurder had echter een deel van de waarborgsom ingehouden voor kosten van een slotenmaker en stookkosten. De rechtbank oordeelde dat de verhuurder terecht een bedrag voor de slotenmaker had ingehouden, maar dat de inhouding voor de stookkosten onterecht was. De huurder kreeg een bedrag van € 94,08 toegewezen, maar de vordering voor de wettelijke rente werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, wat betekent dat beide partijen hun eigen kosten dragen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding waarin de huurder de terugbetaling van de volledige waarborgsom eiste. De verhuurder voerde verweer en stelde dat de inhoudingen op de waarborgsom rechtmatig waren. Het huurcontract tussen de partijen liep van 28 oktober 2022 tot 31 oktober 2024, met een maandelijkse huurprijs en servicekosten van € 1.395,00. Bij aanvang van de huurovereenkomst werd een waarborgsom van hetzelfde bedrag betaald.
Een belangrijk feit in deze zaak was dat de huurder in november 2022 een slotenmaker had ingeschakeld omdat niet alle sleutels bij aanvang van de huur waren verstrekt. De kosten van de slotenmaker bedroegen € 320,00, wat de huurder in mindering bracht op de huur voor december 2022. Na het einde van de huurperiode op 31 oktober 2024, hield de verhuurder dit bedrag in op de terugbetaling van de waarborgsom, evenals € 94,08 voor stookkosten.
Een ander belangrijk aspect van het proces was de kwestie van de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. De zaak was aanvankelijk bij de rechtbank Limburg in Maastricht aangebracht, maar werd vervolgens naar Roermond verwezen. Hoewel de zaak eigenlijk bij de rechtbank Rotterdam had moeten worden aangebracht, besloot de kantonrechter de zaak in Roermond te behandelen vanwege proceseconomische redenen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest beslissen of de huurder recht had op de volledige terugbetaling van de waarborgsom. Het centrale geschil draaide om de vraag of de inhoudingen voor de slotenmaker en de stookkosten gerechtvaardigd waren.
Ten aanzien van de kosten voor de slotenmaker oordeelde de rechtbank dat de verhuurder terecht dit bedrag op de waarborgsom had verrekend. De huurder had niet aangetoond dat zij toestemming had verkregen van de beheerder Rotsvast om de slotenmaker in te schakelen op kosten van de verhuurder. Er was ook onvoldoende bewijs dat de verhuurder een schadevergoedingsplicht had wegens het niet verstrekken van de sleutels.
Wat betreft de stookkosten over 2024, oordeelde de rechtbank dat de verhuurder onvoldoende had onderbouwd dat de huurder nog een bedrag van € 94,08 verschuldigd was. Er waren geen stukken overgelegd waaruit bleek dat de huurder dit bedrag verschuldigd was. Daarom werd dit deel van de vordering toegewezen aan de huurder.
De rechtbank wees de vordering voor de wettelijke rente af omdat de huurder niet had voldaan aan de stelplicht, aangezien in de dagvaarding niets was vermeld over de verschuldigdheid van wettelijke rente. De proceskosten werden tussen de partijen gecompenseerd, wat betekent dat elke partij haar eigen kosten moest dragen. De uitspraak werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze meteen kon worden uitgevoerd, ondanks eventueel hoger beroep.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




