De zaak in het kort
In deze rechtszaak die plaatsvond bij de Rechtbank Midden-Nederland, heeft de verhuurder een kort geding aangespannen om de huurder te dwingen de woning te ontruimen. De verhuurder beschuldigt de huurder van structurele wanbetaling, het veroorzaken van overlast voor de omwonenden en het weigeren mee te werken aan woninginspecties. De huurder erkent het herhaaldelijk te laat betalen van de huur en het ontstaan van huurachterstanden, maar ontkent overlast te veroorzaken of inspecties te weigeren. De rechter oordeelt in het voordeel van de verhuurder en beveelt de ontruiming van de woning, terwijl de vordering tot betaling van de huurachterstand wordt afgewezen vanwege onduidelijkheid over het exacte bedrag dat nog verschuldigd is.
Het verloop van het proces en de feiten
De huurder, hierna [gedaagde], huurt sinds 1 december 2016 een woning van de verhuurder, hierna [eiser], in [plaats]. De verhuurder heeft [gedaagde] op 10 oktober 2025 gedagvaard vanwege herhaalde huurachterstanden en andere klachten. De mondelinge behandeling vond plaats op 22 oktober 2025, waarbij beide partijen hun standpunten naar voren brachten. [gedaagde] erkende tijdens de zitting dat zij regelmatig te laat betaalde vanwege financiële moeilijkheden, maar betwistte de overige beschuldigingen van de verhuurder.
De verhuurder had reeds eerder juridische stappen ondernomen om de huurder tot betaling te dwingen. In een eerdere procedure werd de vordering tot ontruiming voorwaardelijk toegewezen, op voorwaarde dat [gedaagde] haar betalingsverplichtingen nakwam. Hoewel zij aanvankelijk aan deze voorwaarden voldeed, viel zij later terug in haar patroon van wanbetaling. De verhuurder wijst erop dat [gedaagde] ook voor overlast zorgde door afval op de galerij van de woning achter te laten, wat tot klachten van de VVE leidde.
Tijdens de zitting gaf [gedaagde] aan dat zij de verhuurder niet fysiek binnen wilde laten voor inspecties en slechts bereid was om dit via videobellen te doen, wat in strijd is met de huurovereenkomst.
De beslissing van de rechtbank.
De kantonrechter oordeelt dat de verhuurder een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming van de woning, gezien het patroon van wanbetaling en de negatieve impact op de verhuurder. De rechter acht het aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zou worden ontbonden, gezien het herhaaldelijke probleemgedrag van de huurder.
De rechter weegt de belangen van beide partijen af en concludeert dat de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde], hoe zwaar ook, niet opwegen tegen het belang van de verhuurder om een betrouwbare huurder te vinden. De kantonrechter beslist dat [gedaagde] de woning uiterlijk op 1 december 2025 moet ontruimen.
Wat betreft de huurachterstand, besluit de rechter om de vordering tot betaling hiervan af te wijzen, omdat er onvoldoende duidelijkheid is over het precieze bedrag dat nog openstaat. De verhuurder had namelijk niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor het aanzeggen van buitengerechtelijke incassokosten, waardoor de exacte hoogte van de schuld onduidelijk bleef.
Daarnaast wordt [gedaagde] veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van de verhuurder, die worden begroot op een totaalbedrag van € 913,45, inclusief dagvaardingskosten, griffierecht en het salaris van de gemachtigde. Ook de nakosten en eventuele wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen, mocht [gedaagde] niet tijdig betalen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het naleven van huurverplichtingen en de mogelijke gevolgen voor huurders die herhaaldelijk in gebreke blijven. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat het direct kan worden uitgevoerd, ongeacht eventuele hoger beroepsprocedures die [gedaagde] mogelijk zou willen starten.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




