De zaak in het kort
In deze zaak speelde de vaststelling van de WOZ-waarde van een bovenwoning in [plaats] een centrale rol. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 211.000,-. De eigenaar van de woning, de eiser, was het hier niet mee eens en ging in bezwaar en vervolgens in beroep. De rechtbank Midden-Nederland moest beoordelen of de heffingsambtenaar de waarde correct had vastgesteld. De eiser betwistte de waarde op basis van verschillende argumenten, waaronder de duurzaamheid van de woning, de invloed van de Vereniging van Eigenaren (VVE), en het type woning in vergelijking met de referentiewoningen.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 28 februari 2023 stelde de heffingsambtenaar de WOZ-waarde vast op € 211.000,-. De waardepeildatum was 1 januari 2022. De eiser diende bezwaar in tegen deze beschikking, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond op 20 november 2023. De eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank. De heffingsambtenaar diende een verweerschrift met een taxatiematrix in, waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in [plaats]. De rechtbank besloot dat een zitting niet nodig was, aangezien beide partijen daar geen behoefte aan hadden.
De woning van de eiser is gebouwd in 1952 en bevindt zich in een complex van laagbouw. De woning heeft een oppervlakte van 59 m² en beschikt over een berging van 6 m². De heffingsambtenaar gebruikte de vergelijkingsmethode om de waarde vast te stellen, waarbij de woning werd vergeleken met andere verkochte woningen uit dezelfde periode en omgeving.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix en de toelichting daarop toonden aan dat de referentiewoningen goed bruikbaar waren en dat er voldoende rekening was gehouden met de verschillen tussen de woningen. De rechtbank vond dat de referentiewoningen, gelegen in laagbouwcomplexen in dezelfde wijk, voldoende vergelijkbaar waren met de woning van de eiser.
De rechtbank verwierp de argumenten van de eiser. Betreffende het duurzaamheidsniveau stelde de eiser dat de woning slecht geïsoleerd was, wat niet voldoende was meegenomen in de waardebepaling. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar, die aangaf dat de duurzaamheid al in de prijs was verdisconteerd door de vergelijking met soortgelijke woningen.
De eiser stelde ook dat de verkoopcijfers van woningen binnen een VVE gecorrigeerd moesten worden om rekening te houden met de reserves van de VVE. De rechtbank was het eens met de heffingsambtenaar dat de transactieprijzen in de taxatiematrix al waren geschoond van de VVE-reserves.
Ten aanzien van het objecttype betoogde de eiser dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat de woning een bovenwoning is, terwijl de referentiewoningen flatwoningen en appartementen waren. De rechtbank vond de vergelijking passend, gezien het gebrek aan andere verkochte bovenwoningen.
Tot slot voerde de eiser aan dat de ligging van de woning onvoldoende was meegenomen in de waardebepaling, met name de etage waarop de woning zich bevindt. De rechtbank zag dit anders en vond de stelling van de eiser niet onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat de vastgestelde WOZ-waarde gehandhaafd blijft. Er waren geen gronden voor een vergoeding van proceskosten of het griffierecht.
Partijen die het niet eens zijn met de uitspraak kunnen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Digitaal beroep instellen is mogelijk via rechtspraak.nl. Bij spoedeisende zaken kan een voorlopige voorziening worden aangevraagd bij de voorzieningenrechter van het gerechtshof.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




