De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft een uitspraak gedaan in een geschil tussen de vereniging van eigenaren (VvE) van een bungalowpark en een bewoonster, aangeduid als [gedaagde sub 2]. De kern van het geschil betreft de vraag of de VvE het recht heeft om de permanente bewoning door [gedaagde sub 2] te beëindigen. Volgens de reglementen van de VvE is permanente bewoning op het park niet toegestaan zonder toestemming van de gemeente. Hoewel de gemeente geen formele toestemming heeft gegeven, heeft zij wel aangegeven voorlopig niet te zullen handhaven. De rechtbank heeft geoordeeld dat de VvE onvoldoende rekening heeft gehouden met deze toezegging van de gemeente en andere bijzondere omstandigheden van [gedaagde sub 2], en heeft daarom de vordering van de VvE afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding van de VvE, waarin zij onder meer 22 bijlagen had opgenomen. [gedaagde sub 2] reageerde hierop met een conclusie van antwoord en diende later nog een akte met aanvullende bijlagen in. De mondelinge behandeling vond plaats op 29 augustus 2025, waarbij vertegenwoordigers van de VvE en [gedaagde sub 2] aanwezig waren. De rechtbank besloot na deze zitting een vonnis te wijzen.
Het geschil draait om de permanente bewoning van een recreatiewoning door [gedaagde sub 2], iets wat volgens de splitsings- en huishoudelijke reglementen van de VvE niet is toegestaan zonder gemeentelijke toestemming. De gemeente heeft echter aangegeven voorlopig niet te handhaven vanwege een aangekondigde landelijke instructieregel die permanente bewoning op recreatieparken mogelijk zou maken. Ondanks deze toezegging van de gemeente, vorderde de VvE dat [gedaagde sub 2] de bewoning zou beëindigen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de VvE weliswaar belang heeft bij de handhaving van haar reglementen, maar dat de specifieke omstandigheden in deze zaak van doorslaggevend belang zijn. De VvE had namelijk de toestemming voor permanente bewoning feitelijk uitbesteed aan de gemeente en was op de hoogte van het feit dat de gemeente niet zou handhaven. Daarom was het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [gedaagde sub 2] nu tot beëindiging van de bewoning te dwingen.
Daarnaast vond de rechtbank dat de VvE onvoldoende rekening had gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde sub 2], waaronder de ernstige gezondheidssituatie van haar inmiddels overleden echtgenoot en haar eigen fysieke beperkingen. Het feit dat [gedaagde sub 2] al meer dan zeven jaar op het park woont en momenteel geen passend alternatief heeft, speelde ook een rol in de beslissing.
De rechtbank wees de vorderingen van de VvE af en veroordeelde hen tot het betalen van de proceskosten van [gedaagde sub 2], die werden begroot op €1.726. Bovendien werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de VvE de kosten moet betalen ongeacht een eventueel hoger beroep. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging van belangen en omstandigheden bij het handhaven van reglementen in vergelijkbare situaties.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




