De zaak in het kort
Een geschil tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en een bewoner van een bungalowpark kwam voor de rechtbank Midden-Nederland. De VvE eiste dat de bewoner zou stoppen met de permanente bewoning van haar recreatiewoning, in overeenstemming met de reglementen van de VvE die permanente bewoning verbieden zonder gemeentelijke toestemming. De gemeente had geen formele toestemming gegeven voor permanente bewoning, maar wel aangegeven voorlopig niet te zullen handhaven. De rechtbank oordeelde dat de VvE geen rekening had gehouden met de toezegging van de gemeente en de beperkte mogelijkheden van de bewoner om andere huisvesting te vinden. De rechtbank gaf de bewoner gelijk en wees de vordering van de VvE af.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met een dagvaarding van de VvE, waarin zij juridische stappen ondernam om het verbod op permanente bewoning te handhaven. De procedure werd gevoerd op basis van de statuten van de VvE en een splitsingsreglement dat alleen niet-permanente bewoning toestond, tenzij de gemeente anders besloot. Tijdens de zitting werd duidelijk dat de gemeente had aangegeven niet te handhaven op permanente bewoning in afwachting van een mogelijke nieuwe beleidsregel van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. De VvE had echter besloten om toch juridische stappen te ondernemen tegen de bewoner, die sinds 2016 permanent op het park woonde.
De bewoner voerde aan dat zij op basis van de mededeling van de gemeente erop mocht vertrouwen dat er geen handhaving zou plaatsvinden. Bovendien stelde zij dat het voor haar niet mogelijk was om op korte termijn een andere woning te vinden, gegeven haar inschrijving voor sociale huurwoningen en het feit dat haar woning te koop stond zonder directe vooruitzichten op verkoop. Tijdens de procedure kwam verder naar voren dat de VvE eerder geen bezwaren had geuit tegen haar inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en dat er al lang bekend was dat zij de woning permanent bewoonde.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de VvE een gerechtvaardigd belang had bij handhaving van de reglementen, maar dat de wijze van handhaving in strijd was met de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank benadrukte dat de VvE had nagelaten de belangen van de bewoner voldoende te wegen, vooral gezien de toezegging van de gemeente om niet te handhaven, en de langdurige bewoning van de bewoner. Het besluit van de VvE om ondanks deze omstandigheden toch tot handhaving over te gaan, werd als onredelijk beschouwd.
De rechtbank wees de vordering van de VvE af en oordeelde dat de VvE de proceskosten van de bewoner moest vergoeden. Deze kosten werden begroot op 1.737 euro, inclusief griffierecht en advocaatkosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de VvE de kosten moet betalen, zelfs als zij in hoger beroep gaat.
De uitspraak onderstreept de noodzaak voor VvE’s om bij het handhaven van regels en reglementen zorgvuldig rekening te houden met de omstandigheden en belangen van betrokken partijen, en om niet blindelings juridische stappen te ondernemen zonder een volledige afweging van alle relevante factoren.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




