De zaak in het kort
In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan over een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zestien onroerende zaken voor het belastingjaar 2022. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Wel werd aan de eiser een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende bewijs had geleverd om de vastgestelde waardes te rechtvaardigen.
Het verloop van het proces en de feiten
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap had op 28 februari 2022 de WOZ-waarde van diverse onroerende zaken in twee plaatsen vastgesteld op basis van de waardepeildatum 1 januari 2021. De vastgestelde waardes varieerden van €202.000 tot €4.405.000. Tegen deze waardebepalingen maakte de eiser bezwaar, maar de heffingsambtenaar verklaarde deze bezwaren ongegrond. De eiser ging vervolgens in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde de zaak op 15 september 2025 waarbij zowel de gemachtigde van eiser als die van de heffingsambtenaar, vergezeld door twee taxateurs, aanwezig waren. De rechtbank beoordeelde de vastgestelde WOZ-waardes aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde van een woning wordt afgeleid uit verkoopopbrengsten van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum.
Tijdens de procedure werden verschillende argumenten door de eiser aangevoerd, waaronder het niet verstrekken van relevante akten en het verschil in gebruiksoppervlakte tussen de gegevens van de heffingsambtenaar en de BAG. Tevens werden er gronden ten aanzien van de opbrengstlimiet en de hondenbelasting naar voren gebracht. Echter, de rechtbank achtte veel van deze argumenten te algemeen of te laat ingediend om de beroepen te kunnen ondersteunen.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende had aangetoond dat de vastgestelde WOZ-waardes niet te hoog waren. De referentiewoningen die door de heffingsambtenaar waren gebruikt, bleken voldoende vergelijkbaar te zijn wat betreft ligging, uitstraling, en verkoopdatum. De rechtbank verwierp de argumenten van de eiser die betrekking hadden op het niet verstrekken van akten en verschillen in gebruiksoppervlakte, en achtte de heffingsambtenaar niet verplicht om deze informatie te verstrekken als deze niet de basis vormden voor de waardevaststelling.
De rechtbank wees ook de overige beroepsgronden van de eiser af, zoals de overschrijding van de opbrengstlimiet en de objectafbakening van bepaalde woningen. Deze gronden werden te laat ingediend en onvoldoende onderbouwd.
Ondanks dat de beroepen ongegrond werden verklaard, kende de rechtbank de eiser een schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De bezwaarfase had langer dan gebruikelijk geduurd, waardoor de heffingsambtenaar verantwoordelijk was voor de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast kreeg de eiser ook een proceskostenvergoeding van €226,75 en werd het griffierecht van €51 door de heffingsambtenaar aan de eiser terugbetaald.
In conclusie verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond en oordeelde dat de heffingsambtenaar de waardevaststellingen voldoende aannemelijk had gemaakt. De uitspraak belicht het belang van een gedegen onderbouwing van de WOZ-waarde en geeft inzicht in hoe de rechtbank omgaat met overschrijdingen van de redelijke termijn in belastingprocedures.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




