De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft geoordeeld in een geschil tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn. De VvE had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college om een oude smederij niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het college had aanvankelijk niet tijdig op dit bezwaar beslist, waardoor de VvE beroep had ingesteld. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat het besluit van het college niet wordt vernietigd, ondanks eerdere motiveringsgebreken die in een tussenuitspraak waren vastgesteld. De rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.
Het verloop van het proces en de feiten
Het geschil begon met het besluit van het college om de oude smederij niet als gemeentelijk monument aan te wijzen. De VvE was tegen dit besluit in bezwaar gegaan, maar het college had niet tijdig op dit bezwaar beslist. Hierdoor had de VvE beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank had in een eerdere tussenuitspraak geoordeeld dat het college zijn besluit onvoldoende had gemotiveerd, met name omdat de negatieve gevolgen voor de VvE onvoldoende in de belangenafweging waren betrokken.
De rechtbank gaf het college de kans om dit motiveringsgebrek te herstellen. Het college kreeg aanvankelijk vier weken om hierop te reageren, maar deze termijn werd later verlengd tot acht weken. Het college diende een aanvullende motivering in, waarin het stelde dat het pand binnen een beschermd dorpsgezicht viel en dat de gekozen materialen ook binnen deze context noodzakelijk waren. Dit betekende dat de panden in dit gebied aan hoge eisen moesten voldoen, ongeacht hun status als monument.
De VvE stelde dat de voorbescherming tijdens de voorbereidingsprocedure had geleid tot hogere onderhoudskosten. De VvE zou geen aanspraak kunnen maken op subsidies voor gemeentelijke monumenten omdat het pand niet als zodanig was erkend. Het college bestreed dit en gaf aan dat de kosten voortkwamen uit de algemene eisen voor panden binnen het beschermd dorpsgezicht.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest vaststellen of het beroep van de VvE nog procesbelang had, gezien het feit dat het college inmiddels op het bezwaar had beslist. Het oorspronkelijke procesbelang van de VvE was vervallen omdat het college inmiddels een besluit op bezwaar had genomen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.
Hoewel de aanvullende motivering van het college buiten de gestelde termijn was ingediend, besloot de rechtbank deze toch mee te nemen in de beoordeling. De rechtbank deed dit om de procedure niet verder te vertragen en in het belang van de VvE. Na beoordeling van de aanvullende motivering oordeelde de rechtbank dat het college voldoende had aangetoond dat de schade die de VvE stelde te lijden, niet buiten het normale maatschappelijke risico viel. De rechtbank volgde de motivering van het college dat de VvE niet onevenredig zwaar werd getroffen ten opzichte van andere eigenaren binnen het beschermd dorpsgezicht.
De rechtbank vernietigde weliswaar het besluit op bezwaar vanwege het eerder geconstateerde motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen hiervan in stand omdat het college het gebrek had hersteld. Dit betekende dat de smederij geen gemeentelijk monument werd en dat de VvE geen schadevergoeding kreeg voor de gestelde extra kosten.
Tot slot kende de rechtbank de VvE wel een vergoeding toe voor de door haar gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht, omdat het beroep deels gegrond was verklaard. De rechtbank veroordeelde het college tot betaling van deze kosten. De VvE had hiermee een gedeeltelijke overwinning behaald, maar de kern van de zaak ā de status van het pand als gemeentelijk monument ā bleef ongewijzigd.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



