De zaak in het kort
In dit civiele geschil tussen twee verenigingen van eigenaars (VvE) van flatgebouwen, genaamd [naam 1] en [naam 2], draait het om de kostenverdeling van het onderhoud van een gemeenschappelijk parkeerterrein. VvE [naam 1] heeft onderhoudswerkzaamheden laten uitvoeren en wil dat VvE [naam 2] de helft van de kosten betaalt. VvE [naam 2] betwist de noodzaak van de werkzaamheden en de hoogte van de kosten. Daarnaast eist VvE [naam 2] de verwijdering van nieuw geplaatste parkeerpaaltjes en een verbod op het in gebruik geven van het parkeerterrein aan derden. De rechtbank oordeelt dat VvE [naam 2] moet bijdragen aan de noodzakelijke onderhoudskosten, maar niet aan extra voorzieningen zoals paaltjes en verlichting. De tegenvorderingen van VvE [naam 2] worden afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure werd gestart met een dagvaarding door VvE [naam 1] op 22 februari 2024, gevolgd door de conclusie van antwoord van VvE [naam 2], die ook een eis in reconventie bevatte. Na een mondelinge behandeling op 7 augustus 2025, waarin de rechtbank partijen de gelegenheid gaf om een schikking te treffen, werd een tussenvonnis uitgesproken omdat er geen schikking werd bereikt.
De kern van het geschil betreft een erfdienstbaarheid die bewoners van flatgebouw [naam 2] het recht geeft het parkeerterrein van flatgebouw [naam 1] te gebruiken, waarbij zij voor de helft moeten bijdragen aan de onderhoudskosten. VvE [naam 1] had in 2021 voor €65.960,66 aan onderhoudswerkzaamheden laten uitvoeren en eiste dat VvE [naam 2] de helft daarvan (€32.980,33) zou betalen. VvE [naam 2] betwistte deze kosten, vooral vanwege het ontbreken van voorafgaand overleg en de daadwerkelijke noodzaak van de werkzaamheden.
VvE [naam 2] stelde dat er geen overleg was geweest over de noodzaak en omvang van de werkzaamheden, wat volgens hen een voorwaarde zou moeten zijn voor het delen van de kosten. De rechtbank oordeelde dat hoewel overleg gewenst was, het ontbreken ervan niet automatisch betekent dat VvE [naam 2] niets hoeft te betalen. Wel moeten zij alleen bijdragen aan kosten die noodzakelijk waren, zoals herbestrating en belijning, en niet aan extra aanpassingen zoals slagbomen en verlichting.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank besluit dat VvE [naam 2] moet meebetalen aan de kosten voor herbestrating en belijning van het parkeerterrein, mits VvE [naam 1] kan bewijzen dat deze werkzaamheden noodzakelijk waren en dat de kosten marktconform zijn. Daarom krijgt VvE [naam 1] de opdracht om bewijs te leveren van de noodzakelijkheid van de werkzaamheden en de marktconformiteit van de kosten.
Wat betreft de tegenvorderingen van VvE [naam 2] oordeelt de rechtbank dat de geplaatste parkeerpaaltjes mogen blijven, omdat er onvoldoende bewijs is dat zij tot onveilige situaties leiden. Eveneens wordt geoordeeld dat VvE [naam 1] het recht heeft om een deel van het parkeerterrein aan derden in gebruik te geven, aangezien dit het gebruiksrecht van VvE [naam 2] niet significant beperkt.
De rechtbank moedigt beide partijen aan om alsnog in overleg te treden of mediation te overwegen om tot een schikking te komen, aangezien verdere bewijsvoering tijdrovend en kostbaar kan zijn. De zaak wordt aangehouden voor verdere bewijslevering door VvE [naam 1], waarna VvE [naam 2] in de gelegenheid zal worden gesteld om te reageren. De uiteindelijke beslissing over de betalingsverplichting van VvE [naam 2] zal afhangen van de uitkomst van deze bewijsvoering.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




