VvErechtspraak.nl
Geen resultaten
Bekijk alle resultaten
  • VvE beheer
  • VvE-Incasso
  • Aansprakelijkheid bestuur
  • Procesrecht
  • Overlast en hinder
  • Onderhoud
  • Overige categorieën
    • Bestemming van het appartement
    • Diversen
    • Lekkage en andere schade
    • Rechtsgeldigheid VvE besluit
    • Verbouwingen
    • Verduurzaming
    • Verjaring in de VvE
    • Vervangende machtiging
    • Wijzigingen van de splitsingsakte
  • VvE beheer
  • VvE-Incasso
  • Aansprakelijkheid bestuur
  • Procesrecht
  • Overlast en hinder
  • Onderhoud
  • Overige categorieën
    • Bestemming van het appartement
    • Diversen
    • Lekkage en andere schade
    • Rechtsgeldigheid VvE besluit
    • Verbouwingen
    • Verduurzaming
    • Verjaring in de VvE
    • Vervangende machtiging
    • Wijzigingen van de splitsingsakte
Geen resultaten
Bekijk alle resultaten
VvErechtspraak.nl
Geen resultaten
Bekijk alle resultaten

ECLI:NL:RBMNE:2026:506 conflict over executie dwangsom VvE

by VvERechstpraak.nl
26/02/2026
Reading Time: 2 mins read
A A
0

De zaak in het kort

In deze zaak speelt een geschil tussen [eiser sub 2] en [eiseres sub 1], eigenaren van een appartementsrecht, en de Vereniging van Eigenaars (VvE) van hun appartementencomplex. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] zijn veroordeeld om units van een warmtepomp en airconditioning van het gemeenschappelijke dak van het complex te verwijderen. De VvE heeft dwangsommen opgelegd omdat zij van mening is dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet aan die veroordeling hebben voldaan. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hebben daarop een kort geding aangespannen om de executie van deze dwangsommen te schorsen of te verbieden, maar zij zijn in dit executiegeschil in het ongelijk gesteld.

Gerelateerde uitspraken

ECLI:NL:RBOBR:2026:1119 dwangsommen en executiegeschil bij landgoedontwikkeling

ECLI:NL:OGHACMB:2026:36 Vereniging van eigenaren wint hoger beroep tegen boete perceeleigenaar

ECLI:NL:RBOBR:2026:1119 dwangsomgeschil over levering van mandelig terrein

Het verloop van het proces en de feiten

Het proces begon met een kort geding dagvaarding op 20 januari 2026 door [eiser sub 2] en [eiseres sub 1], waarin zij de schorsing of het verbod van de executie van de dwangsommen eisten. De mondelinge behandeling vond plaats op 30 januari 2026, waarbij beide partijen aanwezig waren en hun standpunten naar voren brachten. De kern van het geschil betrof de vraag of [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] aan de veroordeling in een eerder vonnis hadden voldaan door de units van het gemeenschappelijke dak te verwijderen.

In het vonnis van 21 juli 2025 was namelijk bepaald dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units van het gemeenschappelijke dak moesten verwijderen en het dak in de oude staat moesten herstellen. De VvE beschuldigde hen ervan dat ze niet volledig aan deze veroordeling hadden voldaan. Op 18 september 2025 hadden [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] de units verplaatst naar een andere plek op het gemeenschappelijke dak, maar pas op 14 november 2025 werden de units na aandringen van de VvE daadwerkelijk op hun privéterras geplaatst. De VvE ging vervolgens over tot het innen van de dwangsommen vanwege de gestelde niet-naleving van het vonnis.

De beslissing van de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde of [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] aan de verplichtingen uit het vonnis hadden voldaan. De rechtbank concludeerde dat de veroordeling inhield dat de units van het gehele gemeenschappelijke dak moesten worden verwijderd, niet alleen van de specifieke plek boven het appartement van een andere bewoner. De rechtbank vond dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] niet voldaan hadden aan de verplichting omdat de units aanvankelijk alleen verplaatst waren naar een andere plek op het gemeenschappelijke dak en pas later naar hun privéterras.

Daarnaast stelde de voorzieningenrechter dat de VvE geen misbruik maakte van haar bevoegdheid door dwangsommen te innen. [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hadden geen hoger beroep aangetekend tegen het vonnis, waardoor het vonnis uitvoerbaar bij voorraad was en de VvE gerechtigd was tot executie over te gaan. De vorderingen van [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] werden daarom afgewezen.

De voorzieningenrechter veroordeelde [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] tot betaling van de proceskosten van de VvE, totaal € 2.101, inclusief nakosten en wettelijke rente als ze niet binnen de gestelde termijn zouden betalen. Dit alles maakt duidelijk dat de rechtbank de VvE in het gelijk stelde en hun recht op executie van de dwangsommen bevestigde.

Lees de originele uitspraak hier.

ADVERTISEMENT

Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.

ShareSendSend
Previous Post

ECLI:NL:RBNHO:2025:15863 discussie over erfdienstbaarheid parkeren

Next Post

ECLI:NL:RBNHO:2025:15861 veroordeling oud-bestuurder tot afgifte VvE administratie

Gerelateerde uitspraken>>>

VvE-Incasso

ECLI:NL:RBOBR:2026:1119 dwangsommen en executiegeschil bij landgoedontwikkeling

26/02/2026
VvE-Incasso

ECLI:NL:OGHACMB:2026:36 Vereniging van eigenaren wint hoger beroep tegen boete perceeleigenaar

26/02/2026
VvE-Incasso

ECLI:NL:RBOBR:2026:1119 dwangsomgeschil over levering van mandelig terrein

25/02/2026

VvErechtspraak.nl

  • Contact
  • Over ons

Bezoek ook eens

Nederlandvve

Alle rechten onder voorbehoud © 2025 VvE Rechtspraak.

Geen resultaten
Bekijk alle resultaten
  • VvE beheer
  • VvE-Incasso
  • Aansprakelijkheid bestuur
  • Procesrecht
  • Overlast en hinder
  • Onderhoud
  • Overige categorieën
    • Bestemming van het appartement
    • Diversen
    • Lekkage en andere schade
    • Rechtsgeldigheid VvE besluit
    • Verbouwingen
    • Verduurzaming
    • Verjaring in de VvE
    • Vervangende machtiging
    • Wijzigingen van de splitsingsakte

Alle rechten onder voorbehoud © 2025 VvE Rechtspraak.