De zaak in het kort
In deze juridische kwestie hebben de eisers, [eiser sub 1] en [eiseres sub 2], de rechtbank verzocht om de huurovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden wegens een aanzienlijke huurachterstand en om de woning in Amersfoort te ontruimen. De eisers eisten daarnaast betaling van de openstaande huur, rente, en kosten. [gedaagde] betwistte de hoogte van de huurachterstand, stelde onverschuldigde betaling van servicekosten en vroeg om een respijtperiode, een zogenaamde terme de grace, voor het voldoen aan zijn betalingsverplichtingen. De kantonrechter in Amersfoort heeft grotendeels de vorderingen van de eisers toegewezen en de tegenvorderingen van [gedaagde] afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding van de eisers gericht aan [gedaagde] vanwege een huurachterstand voor de woning die hij van hen huurt. De huurachterstand betrof de maanden februari 2025, en april tot en met juni 2025, alsmede september 2025 tot en met januari 2026. [gedaagde] betwistte de geldigheid van de huurverhogingen die in 2024 en 2025 waren doorgevoerd op basis van een beding in de huurovereenkomst. Volgens hem waren deze verhogingen niet rechtmatig en dienden ze niet in de berekening van de huurachterstand te worden meegenomen.
Daarnaast voerde [gedaagde] aan dat hij onverschuldigd servicekosten had betaald en diende hiervoor een tegenvordering in. Hij eiste terugbetaling van deze bedragen en wilde deze in mindering brengen op de huurachterstand. Verder vroeg hij de kantonrechter om een terme de grace, die hem extra tijd zou geven om de achterstallige huur te voldoen en de ontruiming te voorkomen.
Tijdens de mondelinge behandeling, die op 20 januari 2026 plaatsvond, kwamen beide partijen hun standpunten toelichten. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verschenen persoonlijk, bijgestaan door hun advocaat, evenals [gedaagde], die digitaal aanwezig was met zijn juridisch vertegenwoordiger. Op de zitting werd ook een verhoging van de eis van de eisers besproken, die een extra vergoeding eisten voor een gerepareerde ruit. Deze vordering werd echter ingetrokken omdat [gedaagde] de reparatie had geregeld.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat de huurachterstand van [gedaagde] van bijna zeven maanden substantieel genoeg was om de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning te rechtvaardigen. In het vonnis werd bepaald dat [gedaagde] € 15.997,75 aan achterstallige huur moest betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de verzuimdatum van de respectievelijke huurtermijnen tot aan de dag van volledige betaling. De gevorderde huurverhogingen uit 2024 en 2025 werden als rechtmatig beoordeeld omdat ze voldeden aan de regels voor maximale huurverhogingen en er overeenstemming tussen partijen was.
De kantonrechter wees ook het beroep van [gedaagde] op vroegsignalering af. Het feit dat de eisers binnen twee maanden na de vroegsignalering bij de gemeente hadden gedagvaard, was volgens de rechtbank geen reden om de ontbinding en ontruiming tegen te houden. De rechtbank vond dat [gedaagde] voldoende tijd had gehad om zijn financiële situatie te verbeteren en schuldhulpverlening te zoeken, maar hiervan geen gebruik had gemaakt.
In reconventie werd besloten dat [gedaagde] recht had op terugbetaling van onverschuldigd betaalde servicekosten ter hoogte van € 4.093,98. De kantonrechter oordeelde dat de eisers geen gedetailleerd overzicht van de servicekosten hadden verstrekt en dat sommige kosten, zoals voor groot onderhoud, onterecht als servicekosten werden gerekend. Deze terugbetaling werd echter verrekend met de huurachterstand.
De kantonrechter wees het verzoek van [gedaagde] om een terme de grace af, omdat hij geen concreet perspectief op betaling had gegeven ondanks voldoende gelegenheid hiervoor. Ook het argument dat de ontbinding en ontruiming schadelijk zouden zijn voor de minderjarige zoon van [gedaagde] werd niet gehonoreerd, omdat er geen aanwijzingen waren dat de woning noodzakelijk was voor het contact tussen vader en zoon.
Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het direct moet worden uitgevoerd ondanks eventuele hogere beroepsprocedures. [gedaagde] werd veroordeeld tot het betalen van de proceskosten in conventie, terwijl de eisers de proceskosten in reconventie moesten dragen. De huurovereenkomst werd ontbonden per datum vonnis, en de ontruiming moest binnen veertien dagen na betekening van het vonnis plaatsvinden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




