De zaak in het kort
In deze kwestie ging het om de ontbinding van een huurovereenkomst voor een woning in Amersfoort. De eisers, [eiser sub 1] en [eiseres sub 2], wilden dat de huurovereenkomst met de gedaagde, [gedaagde], werd beëindigd en dat de woning werd ontruimd vanwege een aanzienlijke huurachterstand. Daarnaast eisten zij betaling van de openstaande huur en een vergoeding voor de periode tot aan de daadwerkelijke ontruiming. De gedaagde betwistte deze vorderingen en stelde in reconventie een tegenvordering in voor onverschuldigd betaalde servicekosten, die hij in mindering wilde brengen op de huurachterstand. De kantonrechter oordeelde grotendeels in het voordeel van de eisers en wees de vorderingen van de gedaagde in reconventie grotendeels af.
Het verloop van het proces en de feiten
De kantonrechter ontving en beoordeelde verschillende stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling, waaronder de dagvaarding, de conclusie van antwoord, en een eis in reconventie. Er was een bezwaar van de gedaagde tegen de te late indiening van een gedeeltelijk antwoord, maar de kantonrechter besloot deze stukken toch toe te laten omdat ze geen nadelige invloed hadden op de procespositie van de gedaagde.
Tijdens de mondelinge behandeling, die op 20 januari 2026 werd gehouden, verschenen de eisers persoonlijk, bijgestaan door hun gemachtigde, terwijl de gedaagde digitaal vertegenwoordigd werd. Er werd gediscussieerd over de hoogte van de huurachterstand en de geldigheid van het huurverhogingsbeding in de huurovereenkomst. De eisers hadden de huur twee keer verhoogd met 3,5% in overeenstemming met de huurovereenkomst. De gedaagde betwistte deze verhogingen, maar de kantonrechter oordeelde dat de verhogingen redelijk waren en binnen de wettelijke grenzen vielen.
Bovendien had de gedaagde sinds februari 2025 meerdere maanden huur niet betaald, wat resulteerde in een aanzienlijke huurachterstand. Hoewel hij stelde dat de eisers hem te snel na een vroegsignaleringsmelding hadden gedagvaard, oordeelde de kantonrechter dat de gedaagde voldoende tijd had gehad om passende maatregelen te treffen om de huurachterstand in te lopen. Verder was er geen schulphulpverlening opgestart en kon de gedaagde geen duidelijkheid geven over zijn financiële situatie.
De beslissing van de rechtbank.
De kantonrechter besloot de huurovereenkomst te ontbinden per de datum van de uitspraak en gaf de gedaagde 14 dagen de tijd om de woning te ontruimen. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 15.997,75 aan achterstallige huur, vermeerderd met de wettelijke rente, en een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs vanaf de datum van ontbinding tot de daadwerkelijke ontruiming. De eis van de gedaagde om een terme de grâce te krijgen, werd afgewezen, omdat hij geen perspectief op betaling had geboden ondanks voldoende tijd.
Daarnaast werden de vorderingen in reconventie grotendeels afgewezen. De kantonrechter kende wel een bedrag van € 4.093,98 toe aan de gedaagde wegens onverschuldigd betaalde servicekosten, maar dit werd verrekend met de huurachterstand. De gevorderde verklaringen van recht over de servicekosten werden afgewezen, aangezien er wel gerelateerde kosten waren gemaakt die doorberekend mochten worden.
De gedaagde werd ook veroordeeld tot het betalen van de proceskosten in conventie, terwijl de eisers de proceskosten in reconventie moesten betalen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd, zelfs als er hoger beroep wordt ingesteld.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




