De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 11 februari 2026 beslist dat een eigenaar van een recreatiewoning op een recreatiepark geen recht heeft op permanente bewoning van zijn chalet. De eiser in deze zaak, een bedrijf dat het recreatiepark exploiteert, had een vordering ingesteld tegen de eigenaar van het chalet omdat deze er permanent woonde, wat in strijd is met de contractuele afspraken en het gemeentelijke bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde grotendeels in het voordeel van de eiser en verbood de eigenaar om het chalet permanent te bewonen.
Het verloop van het proces en de feiten
De eiseres, een bedrijf dat een recreatiepark exploiteert, had een juridische procedure aangespannen tegen de eigenaar van een chalet op dat park. De eigenaar werd ervan beschuldigd het chalet permanent te bewonen, wat volgens de eiseres niet was toegestaan op grond van de contractuele afspraken en het bestemmingsplan van de gemeente.
De rechtbank onderzocht de contractuele documenten, waaronder de akte van levering en het huishoudelijk reglement dat deel uitmaakte van de koopovereenkomst. In deze documenten stond dat de opgerichte recreatiewoningen uitsluitend bestemd zijn voor recreatief gebruik en niet permanent bewoond mogen worden. De eigenaar van het chalet had echter geen andere woning en verbleef 365 dagen per jaar in de recreatiewoning, wat de rechtbank als permanente bewoning kwalificeerde.
De eigenaar voerde verweer door te stellen dat de gemeente inmiddels een gedoogbeleid voert ten aanzien van permanente bewoning van recreatiewoningen en dat hij op basis van die regels permanent in zijn chalet zou mogen wonen. Bovendien betoogde de eigenaar dat er verschillende versies van het huishoudelijk reglement waren, en dat hij niet gebonden zou zijn aan het reglement omdat de bijbehorende Vereniging van Eigenaren (VvE) nooit was opgericht.
De eiseres voerde aan dat de voorwaarden in de koopovereenkomst en de akte van levering duidelijk waren en dat deze niet afhankelijk waren van gemeentelijke regelgeving of het al dan niet oprichten van een VvE. De eiseres benadrukte dat het verbod op permanente bewoning een privaatrechtelijke afspraak was, die ook zou blijven gelden ondanks eventuele wijzigingen in gemeentelijke regels.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de eiseres voldoende belang had bij de handhaving van de contractuele afspraken en dat de eigenaar van het chalet zich moest houden aan het verbod op permanente bewoning. De rechtbank wees de argumenten van de eigenaar af, waaronder het beroep op het gedoogbeleid van de gemeente en de vermeende onduidelijkheid van het huishoudelijk reglement. De rechtbank stelde vast dat de eigenaar zich aan de afspraken in de koopovereenkomst en het huishoudelijk reglement had verbonden en dat hij deze afspraken niet naast zich neer kon leggen.
De rechtbank bepaalde dat de eigenaar het chalet niet meer permanent mocht bewonen en gaf hem zes maanden de tijd om aan dit vonnis te voldoen. Er werd een dwangsom van € 250 per dag opgelegd voor elke dag dat de eigenaar na deze termijn in strijd met het vonnis zou handelen, met een maximum van € 10.000.
Daarnaast werden de proceskosten aan de zijde van de eiser toegekend, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd ondanks een eventueel hoger beroep.
Deze uitspraak benadrukt de naleving van contractuele afspraken in situaties waar privaatrechtelijke en publiekrechtelijke regels elkaar raken, en versterkt de positie van recreatieparkexploitanten bij het handhaven van hun regels betreffende het gebruik van recreatiewoningen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




