De zaak in het kort
De rechtbank Midden-Nederland heeft een verzoek van een groep appartementseigenaren, gezamenlijk aangeduid als [verzoekster sub 1] c.s., afgewezen om een kantoorruimte om te zetten naar woonruimte. De eigenaren hadden de VvE om toestemming gevraagd voor het wijzigen van de bestemming van hun appartementsrecht van kantoorruimte naar woonruimte, maar de VvE had dit verzoek afgewezen. De rechtbank oordeelde dat er geen formeel besluit door de VvE was genomen dat vernietigd kon worden en dat de gewenste wijziging een aanpassing van de splitsingsakte zou vereisen.
Het verloop van het proces en de feiten
[verzoekster sub 1] c.s. zijn sinds december 2021 gezamenlijk eigenaar van een kantoorruimte binnen een appartementencomplex. Zij hebben bij de gemeente een omgevingsvergunning verkregen om de kantoorruimte te verbouwen tot woonruimte. Echter, de VvE heeft herhaaldelijk geweigerd toestemming te geven voor deze wijziging. In de vergadering van de VvE van juli 2025 werd opnieuw geen toestemming verleend. [verzoekster sub 1] c.s. heeft de kantoorruimte inmiddels tijdelijk verhuurd aan een stichting.
De verzoekers stelden dat de wijziging van kantoor- naar woonruimte in het algemeen belang was, gezien de grote vraag naar woningen en de geringe vraag naar kantoorruimte. Bovendien zou het gebruik als woonruimte minder overlast veroorzaken dan als kantoorruimte. Zij vroegen de rechtbank om het besluit van de VvE te vernietigen en een vervangende machtiging te verlenen voor het gebruik als woonruimte.
De VvE voerde aan dat er geen formeel besluit was genomen tijdens de vergadering en dat een wijziging van de bestemming een aanpassing van de splitsingsakte noodzakelijk maakt. Ook stelde de VvE dat het risico op overlast groter zou zijn bij gebruik als woonruimte.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat er tijdens de vergadering van de VvE geen formeel besluit was genomen dat vernietigd kon worden op grond van artikel 5:130 van het Burgerlijk Wetboek. De vergadering had slechts geïnventariseerd of de leden wilden stemmen over het voorstel van [verzoekster sub 1] c.s., wat niet op rechtsgevolg was gericht en dus geen besluit was.
De kantonrechter stond wel toe dat [verzoekster sub 1] c.s. een vervangende machtiging kon verzoeken, maar wees het verzoek uiteindelijk af. Dit omdat de gewenste wijziging niet als tijdelijk afwijkend gebruik kon worden beschouwd. Een tijdelijke wijziging vereist dat het gebruik eenvoudig te herstellen is, persoonlijk van aard is, en daadwerkelijk tijdelijk is. Gezien de plannen van [verzoekster sub 1] c.s., waaronder een mogelijke aanpassing van de buitenruimte, was er geen sprake van een eenvoudig terug te draaien situatie. De plannen vereisen een wijziging van de splitsingsakte, hetgeen buiten de bevoegdheid van de kantonrechter ligt om zonder medewerking van de VvE te realiseren.
De rechtbank veroordeelde [verzoekster sub 1] c.s. tot betaling van de proceskosten van de VvE, begroot op € 720,00. De kostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct ten uitvoer kan worden gelegd, ongeacht een eventueel hoger beroep.
Dit vonnis benadrukt de noodzaak van een wijziging in de splitsingsakte voor een structurele wijziging van het gebruik van een appartementsrecht en onderstreept de beperkingen van het verlenen van vervangende machtigingen voor niet-tijdelijke wijzigingen in het gebruik van onroerend goed. De uitspraak illustreert de complexiteit van appartementsrechten en het belang van een goede samenwerking tussen eigenaren en de VvE bij het doorvoeren van gebruikswijzigingen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




