De zaak in het kort
In deze juridische kwestie heeft een eigenaar van een appartementsrecht, aangeduid als [eiser], een vordering ingediend tegen het bestuur van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van zijn wooncomplex. De kern van de zaak betreft een verzoek om rectificatie van bepaalde uitlatingen die tijdens een algemene ledenvergadering zijn gedaan. Deze uitlatingen betroffen beschuldigingen aan het adres van [eiser] over het overtreden van privacyregels. [eiser] vorderde dat het bestuur schriftelijk zou rectificeren dat de beschuldigingen ongegrond waren. Het geschil kwam voor de kantonrechter, maar deze verklaarde zich onbevoegd omdat de waarde van de vordering onbepaald is, en er geen duidelijke aanwijzingen waren dat deze onder de € 25.000,00 zou liggen.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een verzoekschrift van [eiser] op 15 januari 2025, waarin hij om rectificatie vroeg van de tijdens een ALV gedane uitlatingen. De kantonrechter oordeelde dat deze procedure niet geschikt was voor een verzoekschrift, maar voor een dagvaardingsprocedure. Dit leidde tot een dagvaarding van de vijf bestuursleden van de VvE op 7 maart 2025. Tijdens de ALV van 12 november 2024 waren de gemoederen hoog opgelopen, en meerdere bestuursleden hadden gesuggereerd dat [eiser] privacyregels had overtreden. Hij verzocht om deze aantijgingen te onderbouwen en in te trekken, wat niet gebeurde, waarna hij om rectificatie verzocht.
De pleitnota van [eiser] werd op 25 oktober 2025 ingediend, gevolgd door een aanvulling op 5 november 2025. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 november 2025. [eiser] stelde dat de beschuldigingen zijn eer en goede naam aantastten, en dat het gebrek aan rectificatie zijn reputatie binnen de VvE ernstig beschadigde. De bestuurders voerden verweer, stelden dat de kantonrechter niet bevoegd was gezien de mogelijk hogere waarde van de vordering, en dat [eiser] niet duidelijk had gemaakt welke beschuldigingen hij precies bedoelde.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank, vertegenwoordigd door de kantonrechter, beoordeelde dat de vordering van onbepaalde waarde was. Volgens de regels is de kantonrechter alleen bevoegd voor zaken met een waarde onder de € 25.000,00, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vordering deze waarde niet overstijgt. Dergelijke aanwijzingen ontbraken in deze zaak, waardoor de kantonrechter zich onbevoegd verklaarde.
De zaak werd daarom verwezen naar de handelskamer van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor een rolzitting op 21 januari 2026. Partijen werden geïnformeerd dat ze daar bij advocaat moeten verschijnen. Verder werd bepaald dat de beslissing over de proceskosten door de handelskamer zal worden genomen en dat er een verhoogd griffierecht verschuldigd zal zijn door [eiser] na verwijzing. Bovendien moeten de bestuurders ook griffierecht betalen, waarvan het bedrag afhankelijk is van de meest recente griffierechttabellen. Er werd op gewezen dat indien partijen onvermogend zijn, zij mogelijk in aanmerking komen voor een lager griffierecht, mits zij de juiste documentatie overleggen.
Dit vonnis, uitgesproken door mr. S.N. Schipper, maakt duidelijk dat de kantonrechter niet de juiste instantie is voor deze vordering en dat het geschil verder zal worden behandeld in een andere afdeling van de rechtbank.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



