De zaak in het kort
In de onderhavige zaak vordert de eiser, lid van een Vereniging van Eigenaren (VvE), een rectificatie van beschuldigingen geuit door het bestuur van de VvE. Tijdens een algemene ledenvergadering (ALV) ontstond een geschil waarbij het VvE-bestuur de eiser beschuldigde van het overtreden van privacyregels. De eiser verzocht om een schriftelijke rectificatie om deze beschuldigingen te weerleggen, maar het bestuur gaf hier geen gehoor aan. De kwestie werd voor de rechter gebracht, waarbij de eiser stelde dat deze beschuldigingen zijn eer en goede naam schaadden. De kantonrechter verklaarde zichzelf echter onbevoegd om deze zaak te behandelen vanwege de onbepaalde waarde van de vordering, die hoger kan zijn dan de grens van € 25.000,00 waarvoor de kantonrechter bevoegd is.
Het verloop van het proces en de feiten
De juridische procedure begon met een verzoekschrift van de eiser op 15 januari 2025, gevolgd door een aanvulling op dit verzoek op 19 februari 2025. De kantonrechter oordeelde op 28 februari 2025 dat de zaak via een dagvaardingsprocedure moest worden voortgezet. De eiser diende vervolgens een dagvaarding in tegen de vijf bestuursleden van de VvE op 7 maart 2025. Tijdens de mondelinge behandeling op 13 november 2025 bleek dat de eiser de rectificatie eiste omdat de beschuldigingen zijn reputatie binnen de VvE hadden aangetast. De bestuurders voerden verweer door te stellen dat de kantonrechter niet bevoegd was en dat de eiser niet voldoende had onderbouwd welke beschuldigingen onrechtmatig waren.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank besloot dat de kantonrechter inderdaad onbevoegd was om de zaak te behandelen. De kantonrechter kan alleen zaken behandelen met een maximale waarde van € 25.000,00, en de vordering van onbepaalde waarde van de eiser viel hierbuiten. Gezien de onbepaalde waarde van de vordering en het gebrek aan duidelijke aanwijzingen dat de waarde onder de € 25.000,00 zou liggen, werd de zaak verwezen naar een andere kamer van de rechtbank. De zaak zal verder worden behandeld door de handelskamer van de rechtbank Noord-Holland in Haarlem. De rechtbank wees verder op de verplichtingen van beide partijen met betrekking tot de griffierechten en gaf aan dat er na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




