De zaak in het kort
In deze zaak hebben HBC en een aantal andere eisende partijen (hierna: HBC c.s.) overeenkomsten gesloten met aannemersbedrijf Van der Worp voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw in Haarlem. De oplevering van dit gebouw is echter aanzienlijk vertraagd. Beide partijen houden elkaar verantwoordelijk voor de vertraging. Daarnaast is er onenigheid over de vergoeding voor meerwerk dat Van der Worp in rekening heeft gebracht. HBC c.s. eisen toegang tot de bouwplaats om de voortgang en kwaliteit te controleren en willen dat Van der Worp het werk uiterlijk 1 juni 2026 oplevert, met een dwangsom als dat niet gebeurt. Ook eisen zij dat de door Van der Worp verschuldigde kortingen vanwege de vertraging verrekend worden met de reguliere termijnbetalingen, of dat deze kortingen alvast uitbetaald worden. Verder willen zij inzage in documenten met betrekking tot het werk dat Van der Worp heeft uitbesteed aan onderaannemers. Ten slotte eisen ze dat Van der Worp haar retentierecht niet meer mag uitoefenen.
Het geschil is voorgelegd aan de voorzieningenrechter, die de vorderingen van HBC c.s. gedeeltelijk toewijst. Van der Worp moet HBC beperkt toegang geven tot de bouw, bepaalde documenten overhandigen en HBC c.s. mogen een deel van hun betalingsverplichtingen opschorten. Andere eisen van HBC c.s. worden afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
HBC c.s. heeft Van der Worp gedagvaard op 9 februari 2026. De zaak betreft een kort geding, een spoedprocedure die zich richt op het verkrijgen van een voorlopige voorziening. Tijdens de procedure heeft Van der Worp de rechtbank verzocht om de zaak aan te houden om een minnelijke schikking te proberen, maar dit is niet gelukt. Daarom is er vonnis gevraagd.
De feiten van de zaak zijn als volgt: HBC is een projectontwikkelaar die met Van der Worp een overeenkomst heeft gesloten voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw. Deze overeenkomst bevatte specifieke voorwaarden met betrekking tot de bouwtijd en de aannemingssom. Van der Worp is echter niet op tijd met de bouw gestart en de oplevering is vertraagd. HBC heeft al een deel van de bedrijfsunits verkocht aan derden, die rechtstreeks met Van der Worp een aannemingsovereenkomst hebben gesloten.
Van der Worp heeft HBC aansprakelijk gesteld voor de vertragingen en vordert bouwtijdverlenging en betaling voor meerwerk. HBC betwist dit en stelt dat Van der Worp onvoldoende heeft gepresteerd en dat de vertragingen aan Van der Worp te wijten zijn. Er is tevens een dispuut over de retentierechten die Van der Worp uitoefent op een aantal bedrijfsunits.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter besluit als volgt:
1. **Toegang tot de bouw**: Van der Worp moet een delegatie van HBC c.s. toegang geven tot de bouwplaats om de kwaliteit en voortgang te controleren. Deze delegatie mag uit vier personen bestaan, waaronder een vertegenwoordiger van een onderzoeksbureau. Er is een dwangsom van € 5.000 per overtreding vastgesteld, met een maximum van € 100.000. Veiligheidsinstructies van Van der Worp moeten worden opgevolgd.
2. **Oplevering en dwangsommen**: De vordering om Van der Worp te dwingen het werk uiterlijk op 1 juni 2026 op te leveren onder verbeurte van een dwangsom, wordt afgewezen. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat een extra financiële prikkel nodig is, gezien de al bestaande kortingen die Van der Worp verschuldigd is bij vertraging.
3. **Opschorting van betalingsverplichtingen**: HBC c.s. mogen de betaling van toekomstige bouwtermijnen opschorten tot bepaalde bedragen, afhankelijk van de overeengekomen bouwtijd van 250 of 300 dagen. Dit mag totdat er overeenstemming is bereikt over de definitieve hoogte van de korting of totdat een rechter daarover heeft beslist.
4. **Inzage in documenten**: Van der Worp moet HBC kopieën verstrekken van offertes, opdrachtbevestigingen, en facturen van onderaannemers. Ook moet Van der Worp weekrapporten en urenoverzichten aan HBC overhandigen, voor zover deze zich niet bij de onderaannemers bevinden. Er is een dwangsom van € 2.500 per dag vastgesteld voor niet-naleving, met een maximum van € 50.000.
5. **Retentierecht**: De vordering van HBC om Van der Worp te verbieden haar retentierecht uit te oefenen, wordt afgewezen. Van der Worp mag dit recht uitoefenen op de 41 units van HBC, gezien het feit dat Van der Worp geen andere zekerheden heeft.
6. **Proceskosten**: Beide partijen moeten hun eigen proceskosten dragen, omdat ze over en weer in het gelijk en ongelijk zijn gesteld.
Het vonnis geeft een gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van HBC c.s. en legt bepaalde verplichtingen op aan Van der Worp, terwijl andere eisen worden afgewezen. De zaak draait om de noodzakelijke balans tussen de rechten van de projectontwikkelaar, de aannemer en de kopers van de bedrijfsunits.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




