De zaak in het kort
De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 februari 2026 een uitspraak gedaan in een omgevingsrechtelijke kwestie waarin verschillende verzoekers een voorlopige voorziening hadden gevraagd tegen lasten onder dwangsom die waren opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer. De dwangsommen waren opgelegd vanwege de aanwezigheid van niet-vergunde delen van betonnen keerwanden bij woningen en een appartementencomplex. Deze keerwanden zijn volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Verzoekers verzochten om schorsing van deze besluiten in afwachting van de beslissing op hun beroep. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken toegewezen en de lasten onder dwangsom met terugwerkende kracht geschorst.
Het verloop van het proces en de feiten
Verzoekers, bestaande uit een vereniging van eigenaars (VvE) en individuele eigenaren, hebben te maken met een omgevingsrechtelijke kwestie. Het college had besloten dat de niet-vergunde keerwanden moesten worden verwijderd, op straffe van een dwangsom. De VvE en individuele eigenaren, aangeduid als verzoekers, hadden bezwaar gemaakt tegen de besluiten van het college en een voorlopige voorziening gevraagd om de besluiten te schorsen.
Het college had de primaire besluiten genomen op 20 september 2024, waarbij verzoekers werden gelast om de overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te beëindigen. Ze moesten de keerwanden verwijderen die zonder vergunning waren geplaatst. De begunstigingstermijn werd verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Verzoekers dienden een aanvraag in voor een omgevingsvergunning om de situatie te legaliseren, maar deze werd afgewezen. Het college handhaafde de opgelegde lasten, en verzoekers gingen in beroep. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd met name gedaan omdat verzoekers meenden dat legalisering mogelijk zou moeten zijn en dat handhaving disproportioneel was.
De beslissing van de rechtbank
Bij de beoordeling van de verzoeken heeft de voorzieningenrechter gekeken naar de kans van slagen van de gronden in beroep en de belangen van beide partijen. De rechter overwoog dat op basis van de huidige informatie niet kon worden uitgesloten dat legalisering van de keerwanden mogelijk was. De voorzieningenrechter vond dat de belangen van verzoekers om de besluiten voorlopig te schorsen zwaarder wegen dan de belangen van het college om de besluiten onmiddellijk uit te voeren.
De voorzieningenrechter schorste de bestreden besluiten en de primaire besluiten met terugwerkende kracht tot het einde van de (verlengde) begunstigingstermijnen. Hierdoor hoefden verzoekers in de tussenliggende periode niet aan de lasten te voldoen. Daarnaast werd bepaald dat het college het griffierecht en de proceskosten van verzoekers moest vergoeden. De rechter bepaalde dat het college een vergoeding van € 1.868,- aan proceskosten aan zowel verzoekers 1 als verzoekers 2 moest betalen.
Deze uitspraak betekent dat het college voorlopig geen dwangsommen kan invorderen en de verzoekers tijd krijgen om de uitkomst van hun beroep af te wachten. De voorzieningenrechter benadrukte dat de vraag of de keerwanden uiteindelijk gelegaliseerd kunnen worden nog openstaat en in de beroepsprocedure verder onderzocht moet worden.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



