De zaak in het kort
In deze juridische kwestie heeft de rechtbank Noord-Holland een uitspraak gedaan over verzoeken voor een voorlopige voorziening met betrekking tot opgelegde dwangsommen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer. Het geschil betreft de verwijdering van niet vergunde delen van geplaatste keerwanden bij een appartementencomplex en een woning. De verzoekers, bestaande uit een Vereniging van Eigenaars (VvE) en individuele eigenaren, hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van het college en vroegen de voorzieningenrechter om deze besluiten te schorsen totdat er op hun beroepen is beslist. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken toegekend en de lasten onder dwangsom met terugwerkende kracht geschorst, omdat er twijfels waren over de mogelijkheid tot legalisering van de niet vergunde delen van de keerwanden.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon toen het college van Haarlemmermeer op 20 september 2024 de VvE en een van de verzoeksters last gaf om de overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te beëindigen door niet vergunde keerwanden te verwijderen. De dwangsommen bedroegen € 6.000 per keerwand bij niet-nakoming. De verzoekers maakten bezwaar tegen deze besluiten, waarop het college de begunstigingstermijn verlengde. Op 20 december 2024 diende een van de verzoekers een legaliseringsaanvraag in voor de keerwanden, die echter werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd ook bezwaar gemaakt, maar het college handhaafde de afwijzing. Uiteindelijk vroegen de verzoekers de voorzieningenrechter om schorsing van de lasten, in afwachting van de beslissing op hun beroep tegen de afwijzing van de legaliseringsaanvraag.
Tijdens de zitting op 19 januari 2026 werd besproken dat de begunstigingstermijn voor een van de verzoekers was verstreken, maar het college had toegezegd geen dwangsommen in te vorderen totdat de voorzieningenrechter uitspraak had gedaan.
De beslissing van de rechtbank
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen. De rechter schorste de opgelegde lasten onder dwangsom met terugwerkende kracht. De belangrijkste overweging was dat er niet overtuigend was aangetoond dat legalisering van de onvergunde delen van de keerwanden onmogelijk was. De rechter oordeelde dat de belangen van de verzoekers zwaarder wogen, vooral gezien de aanzienlijke kosten van mogelijke afbraak, dan de belangen van het college bij onmiddellijke handhaving.
Bovendien werd overwogen dat het college in de beroepsprocedure moet beoordelen of eerdere vergunningen geen basis vormen om de extra afwijking van de keerwanden alsnog te vergunnen. De voorzieningenrechter bepaalde dat het college het griffierecht en de proceskosten aan de verzoekers moet vergoeden. De uitspraak is definitief omdat hiertegen geen hoger beroep of verzet open staat.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




