De zaak in het kort
In deze rechtszaak heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren onvoldoende gemotiveerd heeft waarom een last onder dwangsom is opgelegd aan eisers vanwege het permanent bewonen van een recreatiewoning. De rechtbank vond dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de eisers, zoals hun financiële en medische situatie en de krapte op de woningmarkt. Hierdoor heeft de rechtbank het besluit van het college vernietigd en hen opgedragen om een nieuw besluit te nemen, waarbij beter rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de eisers.
Het verloop van het proces en de feiten
De eisers, vertegenwoordigd door hun gemachtigde, mr. P.R. Botman, hebben beroep aangetekend tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren. Het college had eerder een last onder dwangsom opgelegd omdat de eisers een recreatiewoning permanent bewoonden, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Het bezwaar van de eisers tegen dit besluit werd ongegrond verklaard, waarop de eisers in beroep gingen.
Tijdens de zitting op 24 september 2025 hebben de eisers hun standpunt toegelicht, waarbij zij benadrukten dat hun persoonlijke omstandigheden, zoals hun financiële situatie en gezondheid, niet goed zijn meegenomen in de overwegingen van het college. De rechtbank gaf in een tussenuitspraak het college de kans om de motivering van het besluit aan te vullen en beter te onderbouwen waarom het algemeen belang van handhaving zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van de eisers.
Het college diende een aanvullende motivering in, maar de rechtbank oordeelde dat deze onvoldoende was omdat het college niet concreet inging op de specifieke omstandigheden van het recreatiepark en de persoonlijke situatie van de eisers. De rechtbank vond dat het college meer onderzoek had moeten doen naar de persoonlijke omstandigheden van de eisers, vooral gezien de vergaande gevolgen van het handhavend optreden voor hen.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank heeft het besluit van het college vernietigd omdat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de handhaving in dit geval evenredig zou zijn. De rechtbank vond dat het college niet voldoende had onderzocht welke impact de persoonlijke omstandigheden van de eisers zouden hebben op de handhaving en of er een mogelijkheid was om van handhaving af te zien.
De rechtbank droeg het college op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de eisers en waarbij daadwerkelijk onderzoek wordt gedaan naar deze omstandigheden. De rechtbank benadrukte dat het van belang is dat het college in gesprek gaat met de eisers om te kijken naar mogelijke oplossingen voor hun woonprobleem.
Tevens heeft de rechtbank een voorlopige voorziening getroffen door de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar. Hierdoor krijgen de eisers meer tijd om te voldoen aan de last onder dwangsom, mocht het college alsnog besluiten tot handhaving over te gaan.
Het beroep van de eisers is gegrond verklaard, en daarom moet het college het door de eisers betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast heeft de rechtbank het college veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan de eisers.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




