De zaak in het kort
In de zaak die voor de rechtbank Oost-Brabant diende, was er een geschil tussen twee partijen, aangeduid als [eisers] en [gedaagden]. De zaak draaide om de vraag of de [eisers], die eigenaar waren van een perceel waarop meerdere kavels waren ontwikkeld voor de bouw van landhuizen, dwangsommen hadden verbeurd. [Gedaagden] hadden een kavel gekocht en waren van mening dat [eisers] hun verplichtingen niet waren nagekomen. Het geschil betrof met name de levering van een mandelig binnenterrein dat bij de kavels hoorde. Er waren al eerdere vonnissen gewezen waarin [eisers] waren veroordeeld om medewerking te verlenen aan de levering van het binnenterrein. Deze verplichting was gekoppeld aan een dwangsom van €200 per dag, met een maximum van €100.000.
Het verloop van het proces en de feiten
De [eisers] hadden een akkerbouwbedrijf en veehouderij en waren eigenaar van een perceel dat werd opgesplitst in kavels voor de ontwikkeling van landhuizen. Op een deel van dit perceel werd het landgoed ‘[naam landgoed]’ ontwikkeld. [Gedaagden] kochten een kavel op dit landgoed en er was afgesproken dat er een mandelig binnenterrein zou worden gebruikt door alle eigenaren van de kavels. Echter, er ontstond onenigheid over de omvang en regeling van dit terrein, wat leidde tot diverse gerechtelijke procedures.
In een eerder arrest op 17 december 2024 had het hof ‘s-Hertogenbosch de [eisers] veroordeeld om het binnenterrein te leveren aan de [gedaagden] en de andere bewoners, op straffe van een dwangsom. Dit arrest werd op 18 februari 2025 hersteld om een fout te corrigeren en aan te vullen, met de bepaling dat de levering binnen 14 dagen na betekening van het arrest moest plaatsvinden. [Gedaagden] betwistten dat zij het herstelarrest hadden betekend, wat leidde tot de vraag of [eisers] daadwerkelijk dwangsommen hadden verbeurd.
De [eisers] hadden de notaris opdracht gegeven om de levering te verzorgen en hadden verschillende versies van de conceptakte van levering aan de [gedaagden] en andere betrokken families gepresenteerd. Desondanks hadden [gedaagden] op 29 december 2025 aan [eisers] aangezegd dat zij dwangsommen hadden verbeurd en hadden zij beslag gelegd op de eigendommen van [eisers].
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest beoordelen of de [eisers] inderdaad dwangsommen hadden verbeurd, zoals door [gedaagden] werd gesteld. De [eisers] voerden aan dat zij geen dwangsommen hadden verbeurd omdat het herstelarrest van 18 februari 2025 niet aan hen was betekend, waardoor de termijn voor nakoming niet was begonnen. Bovendien stelden zij dat zij alles hadden gedaan om aan hun verplichtingen te voldoen, maar dat de medewerking van [gedaagden] ontbrak.
De rechtbank overwoog dat de executie van een met een dwangsom gesanctioneerd vonnis pas kan plaatsvinden na betekening van het vonnis, zoals vereist door artikel 611a lid 3 Rv. In dit geval was het herstelarrest niet betekend, waardoor de verbeuring van dwangsommen niet kon worden aangenomen. Ook was er sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagden], omdat zij niet hadden meegewerkt aan het passeren van de akte van levering, ondanks dat de concepten aan de veroordeling voldeden.
De voorzieningenrechter besliste daarom de tenuitvoerlegging van de dwangsommen te schorsen en het gelegde beslag op te heffen. [Gedaagden] werden veroordeeld in de proceskosten, omdat zij in het ongelijk waren gesteld. Hierdoor werd duidelijk dat de [eisers] niet de gevorderde dwangsommen hoefden te betalen, zolang er geen andere beslissing in een bodemprocedure zou volgen. De vordering tot het schorsen van toekomstige dwangsommen werd afgewezen, omdat hier geen onderbouwing voor was. De beslissing gaf [eisers] de ruimte om zonder directe financiële druk verder te onderhandelen over de levering van het mandelige binnenterrein.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




