De zaak in het kort
In deze zaak stond de vraag centraal of de Vereniging van Eigenaars (VvE) terecht toestemming kon weigeren voor het plaatsen van een kattenren op het balkon van een appartementseigenaar. De verzoekster, vertegenwoordigd door DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., had een verzoek ingediend bij de kantonrechter om het besluit van de VvE nietig te verklaren en om een vervangende machtiging te verkrijgen om de kattenren toch te mogen plaatsen. De verzoekster stelde dat de VvE haar bevoegdheden had overschreden door regels te stellen die niet in de splitsingsakte of enig reglement waren vastgelegd, en dat het genomen besluit in strijd was met de redelijkheid en billijkheid.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een verzoekschrift van de verzoekster, waarin zij de nietigverklaring van het besluit van de VvE op 6 mei 2025 eiste, dan wel vernietiging ervan. De verzoekster voerde aan dat de regels die de VvE had gesteld over het gebruik van een privégedeelte zoals het balkon, niet terug te vinden waren in de splitsingsakte of een ander reglement. Daarnaast betoogde de verzoekster dat het besluit dat in de VvE-vergadering was genomen, in strijd was met de redelijkheid en billijkheid. De VvE had namelijk geweigerd toestemming te geven voor de kattenren zonder dat dit volgens haar in strijd was met het architectonisch uiterlijk van het gebouw of andere reglementen.
Tijdens een zitting op 29 oktober 2025, waarbij zowel de verzoekster als de VvE vertegenwoordigd waren, werden de argumenten van beide kanten besproken. De VvE voerde aan dat de toestemming terecht was geweigerd vanwege zorgen over de veiligheid en het aanzicht van het gebouw. Tevens benadrukte de VvE dat het besluit rechtsgeldig was genomen en dat er geen grond was voor vernietiging of het verlenen van een vervangende machtiging.
De kantonrechter moest beoordelen of het besluit van de VvE nietig of vernietigbaar was volgens de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Hierbij werd geoordeeld dat er geen sprake was van een besluit dat gericht was op rechtsgevolg, omdat er geen wijziging in de rechtsverhoudingen binnen de VvE plaatsvond. Het besluit viel daarmee buiten de reikwijdte van de genoemde artikelen.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat het verzoek van de verzoekster werd afgewezen. De kern van de beslissing was dat het besluit van de VvE om geen toestemming te verlenen voor de plaatsing van de kattenren niet gericht was op rechtsgevolg. Daarom kon het niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 2:14 of 2:15 BW en kon het niet als nietig of vernietigbaar worden beschouwd.
Daarnaast oordeelde de kantonrechter dat er onvoldoende grond was om een vervangende machtiging te verlenen. De VvE had tijdens de vergadering redelijke bezwaren geuit over de veiligheid en het esthetische effect van de kattenren, en de verzoekster had hier geen adequate informatie of onderbouwing tegenover gesteld. De kantonrechter vond dat de VvE voldoende reden had om de toestemming te weigeren, en dat dit niet als onredelijk kon worden beschouwd.
Als gevolg hiervan werd het verzoek van de verzoekster afgewezen en werd zij veroordeeld tot het betalen van de proceskosten aan de VvE, begroot op € 814. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze onmiddellijk uitgevoerd kan worden, zelfs als er hoger beroep wordt aangetekend. Dit benadrukt de noodzaak voor appartementseigenaren om bij bezwaar tegen VvE-besluiten gedegen onderbouwing te geven om een positieve uitkomst bij de kantonrechter te verkrijgen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




