De zaak in het kort
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Rotterdam een tussenuitspraak gedaan over een geschil tussen een individuele eiseres en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam. De zaak draait om de afwijzing van een verzoek tot handhaving vanwege het zonder omgevingsvergunning aanbrengen van drie vensteropeningen in een zijgevel van een pand. Het college had het verzoek van de eiseres om handhavend op te treden afgewezen omdat de huidige eigenaren van het pand niet als overtreders konden worden beschouwd. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het college de afwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd en gaf het college de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon met een verzoek van de eiseres op 6 september 2021, die het college vroeg om handhavend op te treden tegen een vereniging van eigenaren (VVE) wegens het zonder omgevingsvergunning aanbrengen van vensteropeningen. De eiseres stelde dat deze ramen haar privacy op het terras van haar woning aantastten en eiste herstel van de oorspronkelijke situatie. Het college wees het verzoek af met een besluit op 24 januari 2022, dat later werd gewijzigd op 10 oktober 2022 met een aanvullende motivering. De eiseres maakte bezwaar tegen het besluit en diende een beroep in wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Pas op 19 juni 2023 gaf het college een besluit op het bezwaar, maar bleef bij de afwijzing van het handhavingsverzoek. Het college stelde dat de ramen al vóór 1990 waren aangebracht en dat de huidige eigenaren niet als overtreders konden worden aangemerkt omdat ze de woningen in 2004 en 2005 kochten, dus vóór de inwerkingtreding van relevante wetgeving in 2007.
Tijdens de zitting op 13 oktober 2025 beoordeelde de rechtbank de beroepsgronden van de eiseres, die stelde dat het college haar bezwaar niet goed had behandeld en dat er sprake was van een onzorgvuldig besluit. De rechtbank merkte op dat het college te laat op het bezwaar had beslist en daarmee een dwangsom verschuldigd was. Het college had niet gereageerd op belangrijke bezwaargronden en had het bezwaar niet opnieuw aan de bezwaarschriftencommissie voorgelegd, hetgeen volgens de eiseres wel had gemoeten.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het college te laat op het bezwaar van de eiseres had beslist en daarmee een dwangsom moest betalen. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat het college de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende had gemotiveerd. Het college had geen concrete aanwijzingen gegeven dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie of dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. De rechtbank gaf het college de gelegenheid om het gebrek in de motivering van het besluit te herstellen. Het college moet binnen twaalf weken met een aanvullende motivering komen of anders een nieuw besluit nemen, waarin het standpunt wordt toegelicht waarom in dit geval van handhaving moet worden afgezien. De rechtbank stelde dat het college moest uitleggen waarom de omstandigheden in dit geval bijzonder zijn en of er werkelijk sprake is van concreet zicht op legalisatie of dat handhaving onevenredig zou zijn.
De uitspraak laat de mogelijkheid open voor het college om het gebrek te herstellen en geeft het college twee weken de tijd om aan te geven of het van deze mogelijkheid gebruik wil maken. De rechtbank benadrukt dat de zaak zich in de vervolgfase zal beperken tot de reeds besproken beroepsgronden, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. De rechtbank heeft nog geen definitieve uitspraak gedaan over de proceskosten en het verzoek van de eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De zaak zal verder worden behandeld op basis van de aanvullende motivering of nieuw besluit van het college.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




