De zaak in het kort
In een burengeschil in Rotterdam draait het om het gebruik en onderhoud van een achterpad, dat over meerdere percelen loopt. De Vereniging van Eigenaars (VVE) van een gebouw aan [adres 1] in Rotterdam stelt dat buren, [persoon A] c.s. en DBA Beheer B.V., moeten meewerken aan het onderhoud van dit pad. De basis hiervoor is een erfdienstbaarheid die meer dan een eeuw geleden is gevestigd. De buren beweren echter dat deze erfdienstbaarheid door ‘non-usus’ onder het oude Burgerlijk Wetboek (BW) is vervallen, omdat het pad meer dan 30 jaar door een garage werd versperd. De rechtbank oordeelt dat de erfdienstbaarheid nog steeds van kracht is, aangezien niet is bewezen dat het gebruik van het pad door de versperring onmogelijk was.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure is gestart na een dagvaarding op 15 mei 2024, met verschillende documenten en stukken die door beide partijen zijn ingediend. Na een mislukte poging tot mediation in augustus 2025, zijn de zaken bij de rechtbank in Rotterdam gevoegd en behandeld. De rechtbank heeft de zaak mondeling behandeld op 27 mei 2025.
Feitelijk gaat het om een pad dat verschillende percelen doorkruist. De VVE, als eiser, vertegenwoordigt de eigenaars van een gebouw gesplitst in vier appartementen. [persoon A] c.s. en DBA zijn eigenaren van aangrenzende percelen. De discussie betreft de rechten en plichten met betrekking tot het pad dat een ontsluiting biedt naar een laan uitkomend op de [naam locatie]. De kernvraag is of de erfdienstbaarheid door langdurig niet-gebruik (non-usus) is vervallen, een stelling die door de rechtbank wordt verworpen.
Het eigendomsverloop van de betrokken percelen en de historische documenten bevestigen het bestaan van de erfdienstbaarheid. De VVE heeft haar leden gemachtigd om gezamenlijk op te treden in deze juridische procedure.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de erfdienstbaarheid niet door non-usus is vervallen. Uit verklaringen en stukken blijkt dat het pad ondanks de aanwezigheid van een garage toegankelijk bleef, zij het in beperkte mate. Dit betekent dat de erfdienstbaarheid niet verloren is gegaan, zelfs niet onder het oude BW-regime. De rechtbank stelt dat de erfdienstbaarheid nog steeds geldt en dat [persoon A] c.s. en DBA moeten meewerken aan het onderhoud van het pad.
De rechtbank geeft een gedetailleerd oordeel over de onderhoudsverplichtingen: het pad moet worden verhard, verlichting moet worden aangebracht, en een schuine opgang moet worden gerealiseerd. Deze onderhoudswerkzaamheden zijn in lijn met het beoogde gebruik en de moderne normen voor veiligheid en toegankelijkheid. De onderhoudskosten moeten gelijkelijk worden verdeeld tussen de betrokken partijen.
De rechtbank verklaart de VVE niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen [persoon C] omdat deze ten onrechte als partij in de procedure is betrokken na de verkoop van zijn eigendom aan DBA. De kostenveroordelingen worden uitgesproken tegen de in het ongelijk gestelde partijen, [persoon A] c.s. en DBA, in verschillende bedragen afhankelijk van de zaak waarin zij betrokken waren. De proceskostenveroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Al met al bevestigt de rechtbank de rechten van de VVE en haar leden op de erfdienstbaarheid en dwingt zij de andere partijen tot medewerking aan het noodzakelijke onderhoud van het pad.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




