De zaak in het kort
In de kwestie tussen [eiser 1] en [eiser 2] en de Vereniging Kopers Hellasduin (VKH) is de kernvraag of de eisers recht hebben op een tweede parkeerplaats in de parkeergarage van hun appartementengebouw. [eiser 1] en [eiser 2] beroepen zich op de erfpachtakte, waarin is gesteld dat voor appartementen groter dan 160 vierkante meter twee parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. De rechtbank oordeelt echter dat er geen afspraken zijn gemaakt tussen VKH en de eisers die deze verplichting bevestigen, en wijst hun vorderingen af.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met de koop van een appartement door [eiser 1] en [eiser 2] in het Hellasduin-gebouw, waar VKH de ontwikkeling en verkoop verzorgde. Het gebouw heeft 42 appartementen en 45 parkeerplaatsen in de parkeergarage. In de erfpachtakte tussen de gemeente Den Haag en VKH staat dat appartementen groter dan 160 vierkante meter recht hebben op twee parkeerplaatsen. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij recht hebben op een tweede parkeerplaats op basis van deze bepaling.
Tijdens de verkoop van de appartementen ontstond er echter een situatie waarin slechts 45 parkeerplaatsen beschikbaar waren, niet voldoende voor een tweede parkeerplaats voor alle grote appartementen. VKH stemde in met het toewijzen van enkele extra parkeerplaatsen aan kopers onder speciale voorwaarden, zoals in het geval van een penthouse, maar hield verder vast aan de toewijzing van één parkeerplaats per appartement. Bij een loting voor een extra parkeerplaats kwamen [eiser 1] en [eiser 2] niet als winnaar uit de bus.
De eisers werden op 9 april 2020 officieel eigenaar van hun appartement, inclusief één parkeerplaats, zoals vermeld in de leveringsakte. Na enige tijd ontstond een geschil over de uitleg van de erfpachtakte, waarbij [eiser 1] en [eiser 2] meenden dat zij recht hadden op een extra parkeerplaats. VKH stelde dat er een fout in de erfpachtakte stond en dat de parkeervoorziening in lijn was met de omgevingsvergunning.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat [eiser 1] en [eiser 2] geen recht hebben op een tweede parkeerplaats. De rechter benadrukt dat het woord ‘aanleggen’ in de erfpachtakte niet betekent dat er een absoluut recht op een tweede parkeerplaats is, vooral omdat dit in strijd zou zijn met de omgevingsvergunning, die voorziet in 45 parkeerplaatsen.
De rechtbank benadrukt dat [eiser 1] en [eiser 2] niet betrokken waren bij de overeenkomst tussen de gemeente en VKH en dat de koopovereenkomst van hun appartement geen recht op een tweede parkeerplaats inhoudt. Bovendien is er geen bewijs dat VKH een dergelijke belofte heeft gedaan, en de eisers hebben bij de loting van de extra parkeerplaats geen bezwaar gemaakt toen zij niet werden geselecteerd.
Met betrekking tot de tegenvordering van VKH oordeelt de rechtbank dat er geen onredelijkheid is aan de kant van [eiser 1] en [eiser 2] om tegen een wijziging van de erfpachtakte te stemmen. De rechtbank vindt het niet onrechtmatig dat zij hun recht als appartementseigenaren uitoefenen om tegen de voorgestelde wijziging te stemmen.
De rechtbank veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] tot het betalen van de proceskosten aan VKH, en wijst tegelijkertijd de vordering van VKH om [eiser 1] en [eiser 2] te dwingen tot medewerking aan de wijziging van de erfpachtakte af, waarbij VKH ook in de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] wordt veroordeeld.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




