De zaak in het kort
De uitspraak van de rechtbank Rotterdam betreft een beroep tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan een vergunninghouder. Deze vergunning was verleend voor het legaliseren van een bestaande stalen ligger onder de achtergevel van de woning van de vergunninghouder. De Vereniging van Eigenaren (VvE), die de belangen van de eigenaren van de naastgelegen woningen vertegenwoordigt, was het niet eens met deze verlening. Zij betoogde dat het bouwkundig rapport dat aan de aanvraag ten grondslag lag, verkeerde uitgangspunten hanteerde die niet overeenkwamen met de feitelijke situatie en dat het rapport niet aantoonde dat werd voldaan aan het Bouwbesluit 2012. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond was en dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
Het verloop van het proces en de feiten
Het college van burgemeester en wethouders verleende op 24 april 2023 een omgevingsvergunning voor de legalisatie van een bestaande stalen ligger onder de achtergevel van een woning in Rotterdam. De VvE maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 8 september 2023 werd afgewezen. Vervolgens stelde de VvE beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 13 januari 2026 waren de gemachtigden van de betrokken partijen aanwezig, evenals bouwkundigen en de vergunninghouder. De VvE voerde aan dat de feitelijke situatie niet overeenkwam met de maatvoering in de aanvraag en dat er daardoor niet werd voldaan aan het Bouwbesluit 2012. Ze wees op diverse technische tekortkomingen in het bouwkundig rapport en betoogde dat de constructie nader moest worden onderzocht.
Het college verweerde zich door aan te geven dat de aanvraag en het bijbehorende rapport aannemelijk maakten dat aan het Bouwbesluit 2012 werd voldaan. Zij voerde aan dat het rapport door een bouwkundige was beoordeeld en goedgekeurd. Daarnaast stelde het college dat de weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) niet van toepassing waren, waardoor de vergunning terecht was verleend.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat voor de beoordeling van de aanvraag de aanvraag zelf en de daarin opgenomen maatvoering bepalend waren. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke situatie en eerdere omgevingsvergunningen niet van belang waren voor de huidige aanvraag. De door de VvE aangevoerde punten over technische afwijkingen in de aanvraag en het bouwkundig rapport hadden betrekking op handhaving, wat in deze procedure niet aan de orde was.
De rechtbank stelde dat het college een aannemelijkheidstoets moest uitvoeren om te bepalen of aan het Bouwbesluit werd voldaan. Het college beschikte over beoordelingsruimte en had op basis van het bouwkundig rapport aannemelijk mogen achten dat aan de eisen werd voldaan. De rechtbank vond dat de VvE geen deskundig tegenrapport had overgelegd dat het rapport van het college weerlegde.
De rechtbank besloot dat de overige weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing waren, waardoor het college de omgevingsvergunning moest verlenen. Het beroep van de VvE werd ongegrond verklaard, en de omgevingsvergunning bleef in stand. Hierdoor kreeg de VvE het griffierecht niet terug en werden de proceskosten niet vergoed.
In het algemeen oordeelde de rechtbank dat het college zorgvuldig had gehandeld en dat er geen strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel, aangezien het overleg bij een aanvraag om omgevingsvergunning plaatsvindt met de aanvrager, niet met derden zoals de VvE.
Kortom, de rechtbank bevestigde de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning voor de stalen ligger, en de bezwaren van de VvE werden verworpen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



