De zaak in het kort
De zaak betreft een geschil tussen een verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam over een omgevingsrechtelijk probleem. De verzoeker heeft een appartement in Rotterdam dat hij niet bewoont vanwege geluidsoverlast van een op het dak geplaatste PowerNEST-installatie. Verzoeker heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast, maar dit verzoek is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft zich gebogen over de vraag of er sprake is van een overtreding van de geluidsnormen zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Het verloop van het proces en de feiten
Verzoeker is eigenaar van een appartement in Rotterdam, dat in mei 2022 casco is opgeleverd. Hij heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam gevraagd om stappen te ondernemen tegen de geluidoverlast die hij ervaart van de PowerNEST-installatie – een geïntegreerd systeem van windturbines, zonnepanelen en aerodynamische lamellen – op het dak van het appartementencomplex. Volgens verzoeker overschrijdt deze installatie het geluidsniveau van 30 dB, zoals bepaald in artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012.
Het college wees het verzoek tot handhaving af, stellend dat er geen sprake was van een normoverschrijding. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting die op 15 januari 2026 plaatsvond, werd het verzoek behandeld. De gemachtigde van het college en vertegenwoordigers van het betrokken bouwbedrijf en de Vereniging van Eigenaars namen deel aan de zitting.
De beslissing van de rechtbank.
De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en of het bestreden besluit geschorst diende te worden. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker een spoedeisend belang had, aangezien hij vanwege de geluidsoverlast elders woonde en dubbele woonlasten had.
De rechter ging in op de vraag of de geluidsnormen van toepassing waren op de PowerNEST-installatie. Volgens het Bouwbesluit 2012 en het Bbl geldt voor installaties een geluidsnorm van maximaal 30 dB. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze norm ook van toepassing was op de PowerNEST-installatie, ondanks dat deze niet expliciet op de lijst met installaties stond die in artikel 4.108 van het Bbl worden genoemd. De rechter vond dat de installatie vergelijkbaar is met installaties voor warmteterugwinning, waarvoor dezelfde geluidsnorm geldt.
De voorzieningenrechter onderzocht vervolgens of de PowerNEST-installatie de geluidsnorm overschrijdt. Uit een geluidrapport van LBP Sight bleek dat dit niet het geval was, zolang er geen windsnelheden hoger dan 14 m/s worden bereikt. De turbines van de installatie worden namelijk uitgeschakeld bij windsnelheden boven deze waarde. De voorzieningenrechter vond het rapport representatief en oordeelde dat er geen overtreding van de geluidsnorm was.
Aangezien verzoeker niet voldoende aannemelijk kon maken dat de PowerNEST-installatie de geluidsnorm overschrijdt, wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierdoor blijft het besluit van het college om niet handhavend op te treden in stand. Er is geen plaats voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




