De zaak in het kort
In deze zaak heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam geoordeeld over een geschil tussen een verzoeker, de eigenaar van een appartementsrecht, en de Vereniging van Eigenaars (VvE) van het gebouw waarin het appartement zich bevindt. De kern van het geschil betrof de besluiten die tijdens een VvE-vergadering waren genomen, terwijl de verzoeker niet aanwezig kon zijn vanwege een vooraf gemeld verblijf in het buitenland. De kantonrechter achtte de besluiten in strijd met de redelijkheid en billijkheid en vernietigde deze. Daarnaast wees de kantonrechter een aanvullend verzoek van de verzoeker af, omdat dit in strijd was met de goede procesorde.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met het indienen van een verzoekschrift door de verzoeker op 2 september 2025, waarin hij vroeg om vernietiging van de besluiten genomen tijdens de VvE-vergadering van 3 augustus 2025. De verzoeker en de VvE zijn de enige twee leden van de vereniging, waarbij de VvE wordt bestuurd door de andere eigenaar, persoon A. De verzoeker had eerder gevraagd om de vergadering te verplaatsen vanwege zijn verblijf in het buitenland van 26 juli tot en met 18 augustus 2025. Hoewel persoon A aanvankelijk aangaf hiermee rekening te houden, vond de vergadering uiteindelijk toch plaats op 3 augustus 2025, zonder dat de verzoeker daarbij aanwezig kon zijn.
Tijdens de zitting op 16 december 2025, waar de verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig waren, gaf persoon A kort voor de zitting aan niet aanwezig te kunnen zijn, eveneens vanwege een verblijf in het buitenland. De kantonrechter besloot de zitting door te laten gaan, omdat het uitstelverzoek te laat was ingediend.
Naast het verzoek om de besluiten te vernietigen, had de verzoeker op 5 december 2025 nog een aanvullend verzoek ingediend. Dit betrof een machtiging om de splitsingsakte van het gebouw te wijzigen, zodat geen van de leden meer als bestuurder zou kunnen optreden. De VvE maakte bezwaar tegen dit verzoek, mede omdat het kort voor de zitting werd ingediend.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter vernietigde de besluiten van de VvE-vergadering van 3 augustus 2025 op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek. De rechter oordeelde dat persoon A niet voldoende rekening had gehouden met de verhinderingen van de verzoeker, ondanks diens verzoek om de vergadering te verplaatsen. Aangezien de VvE slechts uit twee leden bestond, had persoon A eenvoudig kunnen wachten tot de terugkeer van de verzoeker.
Het aanvullende verzoek om de splitsingsakte te wijzigen werd niet toegestaan. De kantonrechter achtte deze eisvermeerdering in strijd met de goede procesorde, omdat het verzoek een andere juridische grondslag en beoordelingskader had dan het oorspronkelijke verzoek om besluiten te vernietigen. Bovendien had de verzoeker nagelaten om informatie te verstrekken over eventuele belanghebbenden met een beperkt recht op de appartementsrechten, wat noodzakelijk was voor een dergelijke wijziging.
De VvE werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die werden vastgesteld op € 1.491,-. De kantonrechter oordeelde dat deze kosten niet over de verzoeker mochten worden omgeslagen, waardoor persoon A als enig ander lid van de VvE de kosten volledig zou moeten dragen. De kantonrechter kende een hogere proceskostenvergoeding toe dan het standaardtarief, gezien de wijze waarop persoon A de procedure had uitgelokt door de vergadering te houden tijdens de afwezigheid van de verzoeker.
Tot slot verklaarde de kantonrechter de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat deze direct uitgevoerd kan worden, ook al zou één van de partijen in hoger beroep gaan.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




