De zaak in het kort
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een kort geding aangespannen door verhuurders tegen een huurder die al meer dan drie maanden de huur niet had betaald. De verhuurders eisten ontruiming van de woning en betaling van de openstaande huur en belastingen. De huurder erkende de huurachterstand, maar betwistte de verschuldigde gemeentelijke belastingen en voerde aan dat er door de verhuurder frauduleus werd gehandeld. De rechtbank moest ook rekening houden met het belang van een minderjarig kind dat in de woning woonde.
Het verloop van het proces en de feiten
De verhuurders, hierna aangeduid als [verhuurders], hadden hun woning sinds 15 augustus 2024 verhuurd aan [huurder]. De maandelijkse huurprijs bedroeg € 1.450,00. In de huurovereenkomst waren bepalingen opgenomen over de betalingsverplichting van de huurder, inclusief voorschotbetalingen voor servicekosten en belastingen. Vanaf juli 2025 had [huurder] de huur niet meer volledig betaald, wat leidde tot een huurachterstand van € 4.350,00 tot en met september 2025. Ook stond er een bedrag van € 761,53 aan gemeentelijke belastingen open.
[verhuurders] hadden meerdere sommaties gestuurd en de gemeente geïnformeerd over de huurachterstand. Uiteindelijk dagvaardden ze [huurder] in kort geding met het verzoek tot ontruiming van de woning. [huurder] voerde verweer en stelde dat de verhuurders de huurovereenkomst om andere redenen wilden beëindigen, en dat [eiser 1] frauduleus handelde door ingeschreven te blijven op het adres, wat haar subsidieaanvragen zou hebben beïnvloed.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat er een minderjarig kind van 9 jaar in de woning woonde. Dit was van belang voor de beslissing over de ontruiming, gezien de verplichting van de rechtbank om de belangen van kinderen mee te wegen op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter stelde dat de ontruiming alleen kon worden toegewezen als het voldoende waarschijnlijk was dat de vorderingen van [verhuurders] in een bodemprocedure zouden slagen. Er werd geoordeeld dat de huurachterstand van meer dan drie maanden een tekortkoming was die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigde. De rechter vond dat [huurder] onvoldoende bewijs had geleverd voor haar stelling dat de huurachterstand was ontstaan door onrechtmatig handelen van [verhuurders].
De kantonrechter besloot echter dat de ontruiming voorwaardelijk zou worden toegewezen. [huurder] kreeg nog een laatste kans om de achterstand en de lopende huur te voldoen vóór 1 december 2025. Als [huurder] niet aan deze voorwaarde voldeed, zouden [verhuurders] de woning mogen ontruimen. Dit besluit hield rekening met de belangen van het minderjarige kind dat in de woning woonde, hoewel [huurder] niet kon aantonen dat ontruiming tot een noodsituatie zou leiden.
Verder werd [huurder] veroordeeld tot betaling van de openstaande huur en belastingen, inclusief wettelijke rente. De vordering voor buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen, omdat [verhuurders] dit niet voldoende hadden onderbouwd.
Tot slot werd [huurder] veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op € 1.351,45, inclusief eventuele nakosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het direct uitvoerbaar is, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



