De zaak in het kort
In deze zaak dienden de verhuurders van een woning een kort geding in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant om de ontruiming van de woning te vorderen. De aanleiding voor deze vordering was een huurachterstand van de huurder van meer dan drie maanden. Naast de huurachterstand was er ook sprake van een openstaande gemeentelijke belasting. De huurder erkende de huurachterstand, maar betwistte de verschuldigdheid van de gemeentelijke belasting. Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat er een minderjarig kind in de woning woont, wat de kantonrechter verplichtte om diens belangen te overwegen volgens het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De kantonrechter besloot uiteindelijk de ontruiming voorwaardelijk toe te wijzen, met de mogelijkheid voor de huurder om de betalingsachterstand in te lopen.
Het verloop van het proces en de feiten
De verhuurders hadden de huurovereenkomst sinds 15 augustus 2024 met de huurder afgesloten, waarbij de maandelijkse huurprijs €1.450,00 bedroeg. De verhuurders stelden dat de huurder sinds juli 2025 de huur niet meer had betaald en dat er ook een bedrag aan gemeentelijke belasting openstond. Na diverse pogingen om tot betaling te komen, waaronder sommaties via e-mail en aangetekende post, besloten de verhuurders een kort geding aan te spannen.
Tijdens de procedure werd duidelijk dat de huurder meende dat de verhuurders de huurovereenkomst om andere redenen wilden beëindigen dan slechts de huurachterstand. De huurder voerde ook aan dat zij door toedoen van de verhuurders geen toeslagen kon ontvangen, aangezien een van de verhuurders nog op het adres stond ingeschreven. Dit zou haar in financieel opzicht hebben benadeeld. De verhuurders betwisten deze stelling en voerden aan dat de huurder haar betalingsverplichtingen niet was nagekomen.
Tijdens de mondelinge behandeling werden diverse feiten besproken, waaronder de communicatie tussen partijen over de betalingen en de belastingverplichtingen. De verhuurders hadden ook een melding gemaakt bij de gemeente over de huurachterstand van de huurder.
De beslissing van de rechtbank.
De kantonrechter moest oordelen of de ontruimingsvordering in een bodemprocedure een redelijke kans van slagen zou hebben. Hoewel de huurachterstand van meer dan drie maanden voldoende reden was voor ontruiming, moest de kantonrechter ook rekening houden met de belangen van het minderjarige kind dat in de woning verbleef.
De kantonrechter oordeelde dat de huurder ten onrechte de huur niet had betaald en dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen door de verhuurders. Ook was er onvoldoende onderbouwing van de zijde van de huurder met betrekking tot de gestelde financiële schade door het inschrijvingsadres van de verhuurder. De huurder moest de achterstallige huur en de gemeentelijke belasting betalen, samen met de wettelijke rente.
De ontruiming werd voorwaardelijk toegewezen. De huurder kreeg de kans om tot 1 december 2025 de achterstallige huur en lopende huur te voldoen. Als de huurder niet aan deze voorwaarden voldeed, mochten de verhuurders de woning ontruimen. De kantonrechter wees ook de proceskosten toe aan de verhuurders, die de huurder moest betalen. De incassokosten werden echter niet toegewezen, omdat de verhuurders geen specifiek bedrag hadden genoemd in hun vordering.
Door de belangen van het minderjarige kind te betrekken bij zijn afweging, gaf de kantonrechter de huurder een laatste kans om haar financiële verplichtingen na te komen en daarmee de ontruiming mogelijk te voorkomen. Hiermee onderstreepte de kantonrechter het belang van een zorgvuldige belangenafweging in huurgeschillen waarin kinderen betrokken zijn.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



