De zaak in het kort
In deze zaak ging het om een geschil tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en een lid van deze vereniging, aangeduid als [gedaagde]. Het conflict draaide om de betaling van de maandelijkse ledenbijdrage van € 200,00 die door de VvE was vastgesteld. De VvE vorderde een bedrag van € 3.600,00 van [gedaagde] wegens achterstallige betalingen, evenals buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. [gedaagde] beriep zich op opschorting van de betaling vanwege vermeend achterstallig onderhoud aan het gebouw en verschillen van mening over het bestuur van de VvE.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een tussenvonnis op 23 juli 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 19 augustus 2025. Tijdens deze zitting werden beide zaken behandeld, waaronder een verzoekschriftprocedure die samenhing met de huidige zaak. [gedaagde] had een vordering in reconventie ingediend, maar deze werd door de kantonrechter omgezet in een verzoekschriftprocedure. De VvE was van mening dat [gedaagde] verplicht was om de vastgestelde ledenbijdrage te betalen, zoals overeengekomen tijdens vergaderingen op 27 januari 2024 en 31 januari 2025. [gedaagde] had ingestemd met de bijdrage tijdens de vergadering van januari 2024, maar betaalde uiteindelijk niet, waardoor er een achterstand ontstond.
[gedaagde] voerde verweer door te stellen dat de VvE het gebouw niet voldoende onderhield en dat er sprake was van achterstallig onderhoud. Tevens werden er bezwaren geuit over hoe de VvE werd bestuurd. [gedaagde] betoogde dat deze omstandigheden de opschorting van zijn betalingsverplichting rechtvaardigden.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat [gedaagde] verplicht was om de ledenbijdrage te betalen, zoals vastgesteld tijdens de vergaderingen. Het beroep op opschorting werd verworpen, omdat er geen sprake was van een opeisbare vordering van [gedaagde] op de VvE. Volgens de kantonrechter kon [gedaagde] geen gebruik maken van specifieke procedures die normaal gesproken vereist zijn in appartementsrechtelijke geschillen. Ondanks de erkende noodzaak voor onderhoud en de door de VvE genomen stappen om dit aan te pakken, was dit geen reden om de betaling op te schorten.
De rechtbank wees de vordering van de VvE grotendeels toe, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten, omdat de VvE niet had aangetoond dat aan de vereisten voor deze kosten was voldaan. De wettelijke rente over het bedrag van € 3.000,00 werd wel toegewezen. [gedaagde] werd daarnaast veroordeeld in de proceskosten, die in totaal € 1.337,14 bedroegen.
De uitspraak onderstreepte het belang voor leden van een VvE om vastgestelde bijdragen tijdig te betalen, ook als er onenigheden zijn over het beheer of onderhoud van het gebouw. Het niet nakomen van betalingsverplichtingen is niet de juiste weg om problemen binnen een VvE op te lossen. De kantonrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hetgeen betekent dat de uitspraak direct kan worden uitgevoerd, ondanks eventuele hoger beroepen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




