De zaak in het kort
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en een appartementseigenaar, aangeduid als [gedaagde]. De VvE vordert betaling van een achterstallige ledenbijdrage van € 3.600,00, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. [gedaagde] verweert zich door aan te voeren dat hij zijn betalingen heeft opgeschort vanwege achterstallig onderhoud door de VvE.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een tussenvonnis op 23 juli 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 19 augustus 2025. De zaak werd gecombineerd behandeld met een verzoekschriftprocedure waarbij [gedaagde] een reconventionele vordering had ingediend. Deze reconventie werd echter ingetrokken en behandeld als een verzoekschriftprocedure, met instemming van beide partijen.
[gedaagde] is eigenaar van een appartement binnen een complex dat uit vier woningen en een bedrijfsruimte bestaat. Tijdens vergaderingen van de VvE in januari 2024 en januari 2025 werd besloten dat elk lid een maandelijkse bijdrage van € 200,00 dient te betalen. [gedaagde] heeft deze bijdragen niet betaald, wat resulteerde in een betalingsachterstand van € 3.600,00 tot en met augustus 2025. De VvE heeft geprobeerd deze achterstand te incasseren, inclusief een bedrag van € 514,25 aan buitengerechtelijke incassokosten.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagde] de verschuldigde ledenbijdrage moet betalen. De rechter wees het beroep op opschorting af, omdat [gedaagde] niet beschikte over een opeisbare vordering tegen de VvE. Het feit dat er sprake is van achterstallig onderhoud, wat beide partijen erkennen, biedt geen grond voor opschorting volgens het appartementsrecht. De rechter benadrukte dat problemen binnen de VvE niet opgelost kunnen worden door het niet betalen van de maandelijkse bijdrage.
De rechtbank stelde verder dat [gedaagde] akkoord was gegaan met de vastgestelde bijdrage tijdens de vergadering van januari 2024. Zijn latere bezwaren tegen de wijze van vaststelling van deze bijdrage waren daarom niet relevant voor deze zaak. Bovendien was er geen verplichting voor de VvE om de betalingsachterstand te verrekenen met een eerder aan [gedaagde] overgemaakt bedrag van € 1.960,00.
De rechtbank wees de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af, omdat de VvE niet voldoende had gesteld over de aanmaningsprocedures. [gedaagde] werd veroordeeld tot het betalen van de proceskosten aan de VvE, die werden begroot op € 1.337,14. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het direct kan worden uitgevoerd, ook als er een hoger beroep wordt ingesteld.
Tot slot werd het overige door [gedaagde] aangevoerde materiaal niet voldoende geacht om de vordering van de VvE te beïnvloeden. De rechtbank besloot dat de bezwaren van [gedaagde] tegen het bestuur van de VvE geen reden waren om de betalingsverplichting op te schorten of te negeren.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



