De zaak in het kort
[eisers] verhuurden een appartement aan [gedaagde] en [naam], maar er was onenigheid over de einddatum van de huurovereenkomst. [eisers] beweerden dat [gedaagde] en [naam] de woning niet schoon, leeg en zonder gebreken hadden achtergelaten. Tijdens de procedure trof [naam] een schikking met [eisers] en betaalde €5.000, waarna de vorderingen tegen haar werden ingetrokken. De vorderingen tegen [gedaagde] bleven bestaan, zij het verminderd met het bedrag van de schikking. [gedaagde] betwistte de claims en meende dat hij niets meer hoefde te betalen na verrekening. De kantonrechter oordeelde dat [gedaagde] zich niet aan de voorwaarden voor eerdere beëindiging van de huurovereenkomst had gehouden en daarom nog twee maanden huur verschuldigd was. Vanwege gebrekkige oplevering en schade werd [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding van bepaalde kosten, maar niet alle vorderingen waren voldoende onderbouwd, waardoor sommige claims werden afgewezen. Uiteindelijk hoefde [gedaagde] niets meer te betalen, afgezien van de proceskosten.
Het verloop van het proces en de feiten
De procedure begon met een dagvaarding en meldingen van [eisers] dat de procedure tegen [naam] was ingetrokken na een schikking. Beide partijen dienden hun conclusies in, en de kantonrechter bepaalde dat vonnis zou worden gewezen.
De feiten in de zaak waren als volgt: [eisers] sloten op 1 mei 2022 een huurovereenkomst met [gedaagde] en [naam] voor een appartement en parkeerplaats, met een totale huurprijs van € 1.050 per maand. In de overeenkomst was bepaald dat de woning bij beëindiging in dezelfde staat moest worden opgeleverd als bij aanvang. [gedaagde] zegde de huur op per e-mail op 3 september 2023, met het verzoek om beëindiging per eind september. [eisers] stemden in met een eerdere beëindiging onder enkele voorwaarden, waaronder het doorgeven van meterstanden, waaraan [gedaagde] niet voldeed. De woning werd pas in oktober 2023 ontruimd en schoongemaakt, en [eisers] maakten kosten voor verdere herstelwerkzaamheden in november en december 2023, waarna de woning per 1 januari 2024 weer werd verhuurd.
[h2>De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst per 1 november 2023 was beëindigd, aangezien [gedaagde] de voorwaarden voor eerdere beëindiging niet had geaccepteerd. Daarom was hij verplicht om huur te betalen voor september en oktober 2023, een totaalbedrag van € 2.100.
Wat betreft de kosten voor energiekosten, bepaalde de kantonrechter dat [gedaagde] voor het verbruik van januari tot juni 2023 een bedrag van € 946,95 moest betalen, aangezien hij de meterstanden niet had doorgegeven en de VvE daardoor het verbruik had moeten schatten. De energiekosten voor de periode na juni 2023 werden echter afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De schadeclaims van [eisers] werden slechts gedeeltelijk toegewezen. De kosten voor het leeghalen en afvoeren van spullen werden erkend door [gedaagde] en daarom volledig toegewezen. De schoonmaakkosten werden afgewezen omdat [eisers] deze niet concreet hadden onderbouwd. De herstelkosten werden gedeeltelijk toegekend: [gedaagde] was aansprakelijk voor het terugplaatsen van een radiator en het herstellen van stopcontacten, waarvoor een bedrag van € 216,61 werd toegewezen. Andere schadeclaims, zoals voor verlichting en schimmel, werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs.
De claim voor huurderving werd afgewezen, omdat de kantonrechter van oordeel was dat de vertraging in het opnieuw kunnen verhuren van de woning niet aan [gedaagde] kon worden toegeschreven.
Wat betreft de buitengerechtelijke kosten, werden deze deels toegewezen. Een bedrag van € 610,45 werd toegekend vanwege de aanmaningen die voldeden aan de wettelijke vereisten.
De kantonrechter stelde vast dat [gedaagde] aansprakelijk was voor een bedrag van € 5.023,51, vermeerderd met wettelijke rente. Echter, na verrekening met het bedrag van € 5.000 dat [eisers] van [naam] hadden ontvangen en de borg van € 1.050, bleef er niets meer over dat [gedaagde] moest betalen. Desondanks werd [gedaagde] wel veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op € 1.419,90, omdat de procedure nodig was om zijn betalingsverplichting vast te stellen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




