De zaak in het kort
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft een beslissing genomen over een verzoek tot wijziging van partneralimentatie in een zaak tussen een man en een vrouw die eerder gehuwd waren. De man verzocht de rechtbank om de partneralimentatie te verlagen vanwege een significante wijziging in zijn financiële omstandigheden, namelijk de beëindiging van zijn dienstverband en een daling van zijn inkomen. De rechtbank heeft de financiële draagkracht van de man onderzocht en een nieuwe alimentatiebijdrage vastgesteld op basis van de veranderde omstandigheden en de werkelijke woonlasten van de man.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een verzoekschrift dat op 10 juni 2025 werd ingediend, gevolgd door verschillende aanvullende stukken en verweerschriften van beide partijen. De zitting vond plaats op 13 januari 2026. De man en de vrouw waren getrouwd van januari 1998 tot augustus 2023 en hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Bij de echtscheiding was afgesproken dat de man een alimentatie van € 638,85 per maand zou betalen voor het levensonderhoud van de vrouw, inclusief wettelijke indexering.
De man diende een verzoek in om de partneralimentatie op nihil te stellen vanaf juni 2025, of anders te verlagen naar € 127,00 per maand. Het argument van de man was dat zijn financiële situatie drastisch was veranderd, aangezien hij na zijn echtscheiding volledig arbeidsongeschikt was geraakt en zijn dienstverband was beëindigd. Hierdoor was hij afhankelijk van een WIA-uitkering, wat leidde tot een verlaging van zijn netto besteedbaar inkomen.
Tijdens de zitting erkende de vrouw dat de inkomsten van de man waren veranderd, maar ze betwistte dat zijn werkelijke woonlasten een reden zouden moeten zijn voor het verlagen van de alimentatie.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank erkende dat er een wijziging in omstandigheden was opgetreden die een herziening van de alimentatie rechtvaardigde. Bij het vaststellen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de draagkracht van de man heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. De rechtbank stelde vast dat de vrouw nog steeds behoefte had aan alimentatie en dat de draagkracht van de man de beperkende factor was.
De rechtbank ging akkoord met de man en de vrouw dat de ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage 1 december 2025 zou zijn. De rechtbank baseerde de beoordeling van de draagkracht van de man op zijn financiële situatie in 2025, waarbij rekening werd gehouden met zijn netto besteedbaar inkomen en zijn werkelijke woonlasten.
Het NBI van de man werd vastgesteld op € 2.294 per maand. De rechtbank erkende dat de werkelijke woonlasten van de man hoger waren dan het standaard woonbudget en besloot hiermee rekening te houden bij het berekenen van zijn draagkracht. De werkelijke woonlasten omvatten hypotheekrente, aflossing, gemeentelijke belastingen, waterschapslasten, en een VVE-bijdrage, maar de rechtbank weigerde extra onderhoudskosten in aanmerking te nemen zonder voldoende bewijs.
Uiteindelijk werd de werkelijke woonlast van de man vastgesteld op € 783 per maand. De rechtbank concludeerde dat deze woonlasten niet vermijdbaar of verwijtbaar waren. Daarom werd de draagkracht van de man berekend op € 121 per maand, wat na belastingvoordeel op een bedrag van € 188 bruto per maand kwam.
De rechtbank besloot de partneralimentatie te wijzigen en vast te stellen op € 188 per maand, met ingang van 1 december 2025. Dit bedrag zou voor het eerst per 1 januari 2027 worden geïndexeerd. Deze beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte werd afgewezen.
De beslissing werd publiekelijk uitgesproken op 10 februari 2026, met de mogelijkheid voor betrokkenen om binnen drie maanden in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



