De zaak in het kort
In deze zaak beoordeelt de rechtbank Zeeland-West-Brabant een verzoek tot wijziging van de partneralimentatie die de man moet betalen aan zijn ex-vrouw. De man heeft verzocht om de alimentatie op nihil te stellen, of aanzienlijk te verlagen, vanwege een wijziging van zijn financiële situatie. Het echtpaar was gehuwd van 1998 tot 2023, en de man heeft na de echtscheiding te maken gekregen met een daling in zijn inkomen. De rechtbank onderzoekt of er aanleiding is om de alimentatieverplichting aan te passen aan de huidige omstandigheden.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces begon met een verzoekschrift van de man op 10 juni 2025, gevolgd door verschillende documenten en een verweerschrift van de vrouw. De rechtbank behandelde de zaak tijdens een zitting op 13 januari 2026, waar beide partijen en hun advocaten aanwezig waren. Het echtpaar was gehuwd van januari 1998 tot augustus 2023 en de man was na de scheiding verplicht een maandelijkse alimentatie van € 638,85 aan de vrouw te betalen. De man vroeg de rechtbank om deze alimentatie te verlagen omdat zijn financiële situatie aanzienlijk verslechterd was na zijn ziekte en het beëindigen van zijn dienstverband.
Op basis van de overgelegde stukken en verklaringen tijdens de zitting, is vastgesteld dat de man na de scheiding een WIA-uitkering ontvangt, wat heeft geleid tot een daling van zijn netto besteedbaar inkomen. De vrouw erkent de wijziging in het inkomen van de man, wat de rechtbank doet besluiten om de behoefte van de vrouw aan alimentatie en de financiële draagkracht van de man te onderzoeken. Tijdens de zitting bevestigde de man dat hij de behoeftigheid van de vrouw niet langer betwist, waardoor zijn verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie werd ingetrokken.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebaseerd op de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie om de behoefte aan en de draagkracht voor het voldoen van een onderhoudsbijdrage te bepalen. Partijen waren het eens over de ingangsdatum van de wijziging van de onderhoudsbijdrage: 1 december 2025. De rechtbank beoordeelde de financiële draagkracht van de man op basis van zijn situatie in 2025 en stelde vast dat zijn netto besteedbaar inkomen € 2.294 per maand bedraagt.
Bij de evaluatie van de woonlasten van de man, stelde de rechtbank vast dat zijn maandelijkse werkelijke woonlasten € 783 bedragen. Deze zijn hoger dan het voor hem geldende woonbudget van € 688, maar werden als niet vermijdbaar en niet verwijtbaar beoordeeld. Daarom besloot de rechtbank om met deze hogere woonlasten rekening te houden bij de berekening van zijn draagkracht. De uiteindelijke draagkracht van de man werd vastgesteld op € 188 bruto per maand.
De rechtbank concludeerde dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, wat een aanpassing van de huidige bijdrage rechtvaardigt. De door de man te betalen bijdrage werd met ingang van 1 december 2025 gewijzigd naar € 188 bruto per maand. Dit bedrag zal vanaf 1 januari 2027 voor het eerst geïndexeerd worden conform artikel 1:402a BW. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees het overige verzochte af.
De beslissing van de rechtbank biedt de man enige verlichting in zijn financiële verplichtingen, terwijl de vrouw nog steeds een bijdrage ontvangt voor haar levensonderhoud. De uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige afweging van de financiële omstandigheden van beide partijen bij het vaststellen of wijzigen van alimentatieverplichtingen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




