De zaak in het kort
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 januari 2026 een uitspraak gedaan in een belastingrechtelijke kwestie betreffende forensenbelasting. De belanghebbende, die een stacaravan als vakantiewoning gebruikt in een vakantiepark in de gemeente Borsele, had bezwaar gemaakt tegen een aanslag forensenbelasting. De heffingsambtenaar van SaBeWa had deze aanslag opgelegd voor het belastingjaar 2023. De belanghebbende betwistte de aanslag met het argument dat door haar geen forensenbelasting verschuldigd is vanwege een toeristenbijdrage-overeenkomst tussen het vakantiepark en de gemeente. De rechtbank oordeelde echter dat de aanslag terecht was opgelegd, omdat aan de voorwaarden voor de heffing van forensenbelasting was voldaan. Het beroep van de belanghebbende werd dan ook ongegrond verklaard.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak begon toen de heffingsambtenaar op 30 november 2023 aan de belanghebbende een aanslag forensenbelasting oplegde voor het belastingjaar 2023. De WOZ-waarde van de stacaravan was vastgesteld op € 59.000, waarop een belastingaanslag van € 170,00 was gebaseerd. De belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond op 30 april 2024.
De belanghebbende gebruikte de stacaravan als vakantiewoning en was van mening dat zij geen forensenbelasting hoefde te betalen, omdat zij de caravan niet verhuurde en er een toeristenbijdrage-overeenkomst bestond tussen de VvE van het vakantiepark en de gemeente Borsele. De heffingsambtenaar betoogde echter dat forensenbelasting een andere belasting is dan toeristenbelasting en dat de toeristenbijdrage niets veranderde aan de heffing van forensenbelasting.
Het geschil werd op 16 januari 2026 voor de rechtbank behandeld. Tijdens de zitting waren zowel de belanghebbende als de vertegenwoordiger van de heffingsambtenaar, mr. B. de Smit, aanwezig. Na het verhoor van beide partijen deed de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak, waarvan proces-verbaal werd opgemaakt.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank moest bepalen of de heffing van forensenbelasting terecht was, ondanks de toeristenbijdrage-overeenkomst. Volgens de rechtbank zijn forensenbelasting en toeristenbelasting twee verschillende belastingen met elk een eigen wettelijke basis. De toeristenbijdrage-overeenkomst, die betrekking heeft op toeristenbelasting, beïnvloedt dus niet de heffing van forensenbelasting.
De rechtbank stelde vast dat er aan de voorwaarden voor de heffing van forensenbelasting was voldaan. De belanghebbende hield gedurende meer dan negentig dagen van het belastingjaar een gemeubileerde woning in de gemeente Borsele beschikbaar, zonder daar haar hoofdverblijf te hebben. Dit vormde het belastbare feit zoals beschreven in de Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2023 van de gemeente Borsele.
Verder merkte de rechtbank op dat de belanghebbende de door haar betaalde toeristenbijdrage inmiddels had teruggekregen van de VvE van het vakantiepark, omdat zij al forensenbelasting betaalde aan de gemeente.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep van de belanghebbende ongegrond. De rechtbank zag geen reden voor een proceskostenveroordeling. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid om tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen zes weken na de bekendmaking van de uitspraak.
Deze uitspraak benadrukt het onderscheid tussen verschillende soorten lokale belastingen en de juridische basis voor de heffing ervan. Het bevestigt tevens dat overeenkomsten voor toeristenbijdragen geen invloed hebben op de toepassing van forensenbelasting, zolang aan de wettelijke voorwaarden voor de heffing is voldaan.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




