De zaak in het kort
Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van dertien vermogensdelicten. De verdachte werd veroordeeld tot een maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar. De strafbare feiten omvatten meerdere diefstallen, vaak gepleegd door middel van braak, en een poging tot inbraak. De rechtbank achtte het noodzakelijk om deze maatregel op te leggen gezien de recidive van de verdachte en het belang van de maatschappij om beschermd te worden tegen zijn criminele gedrag.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak werd inhoudelijk behandeld tijdens een zitting op 30 januari 2026. De verdachte, geboren in 1975 en gedetineerd ten tijde van de zitting, stond terecht voor meerdere diefstallen en een poging tot inbraak. Tijdens de zitting presenteerden zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten. De zaken met parketnummers 02-256645-25 en 02-200976-25 werden gevoegd behandeld.
De tenlastelegging omvatte verschillende diefstallen, vaak met braak of verbreking, gepleegd in Tilburg tussen april en september 2025. In totaal werden twaalf voltooide diefstallen en één poging tot diefstal ten laste gelegd. De verdachte bekende meerdere feiten tijdens de zitting, wat door de rechtbank als wettig en overtuigend bewijs werd geaccepteerd. In verschillende gevallen werd de toegang tot de plaats van het misdrijf door de verdachte verkregen door middel van braak.
De verdediging stelde dat niet alle ten laste gelegde braak en verbreking wettig en overtuigend bewezen konden worden en vroeg om gedeeltelijke vrijspraak voor bepaalde feiten. De officier van justitie achtte alle ten laste gelegde feiten bewezen en vroeg om een ISD-maatregel voor de verdachte.
De beslissing van de rechtbank
De rechtbank achtte de verdachte wettig en overtuigend schuldig aan de meeste ten laste gelegde feiten, waaronder twaalf diefstallen en een poging tot inbraak. Het bewezenverklaarde werd gekwalificeerd als diefstal, al dan niet met braak. Gezien de ernst van de feiten, de recidive van de verdachte, en de noodzaak om de maatschappij te beschermen, vond de rechtbank de oplegging van een ISD-maatregel van twee jaar gepast.
De rechtbank overwoog dat de verdachte een aanzienlijk strafblad heeft en dat eerdere maatregelen, waaronder een eerdere ISD-maatregel, niet hebben geleid tot een vermindering van zijn criminele gedrag. De reclassering adviseerde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel omdat andere interventies, zoals klinische behandeling of plaatsing in een instelling voor begeleid wonen, niet haalbaar waren wegens het gebrek aan motivatie van de verdachte. De rechtbank volgde dit advies en wees erop dat de ISD-maatregel gericht is op het doorbreken van het recidivepatroon door middel van een gestructureerd traject.
Daarnaast behandelde de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen. Voor enkele benadeelde partijen werden schadevergoedingen toegewezen, inclusief wettelijke rente. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen omdat deze niet zou bijdragen aan de beoogde doelen van de ISD-maatregel.
Tot slot benadrukte de rechtbank het belang van een effectieve uitvoering van de ISD-maatregel, met actieve begeleiding en toezicht door de reclassering om de kans op recidive te verminderen. De rechterlijke beslissing werd uitgesproken op 30 januari 2026, in aanwezigheid van de verdachte, zijn raadsman, en de officier van justitie.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



