De zaak in het kort
In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op 30 januari 2026, met publicatie op 13 februari 2026, betreffende een reeks van vermogensdelicten. De verdachte, die al een fors strafblad heeft, werd beschuldigd van dertien vermogensdelicten, waaronder diefstal en poging tot inbraak. De rechtbank achtte alle feiten bewezen en veroordeelde de verdachte tot een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaar.
Het verloop van het proces en de feiten
De verdachte stond terecht voor meerdere diefstallen in Tilburg, gepleegd tussen april en september 2025. Hij werd beschuldigd van het wegnemen van goederen zoals champagne, koffie, postpakketten, fietsen, laptops, elektrische gereedschappen en een fatbike. De diefstallen werden soms gepleegd door middel van braak of verbreking, waarbij de verdachte ramen forceerde of deuren openwrikte om toegang te krijgen tot de panden.
Tijdens de zitting op 30 januari 2026 legde de verdachte bekennende verklaringen af voor alle ten laste gelegde feiten. De officier van justitie achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van enkele onderdelen van braak en verbreking, waarvoor gedeeltelijke vrijspraak werd gevraagd. De verdediging pleitte voor gedeeltelijke vrijspraak voor enkele feiten en verzocht om een kortere termijn voor de ISD-maatregel.
De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan alle ten laste gelegde diefstallen en pogingen tot inbraak. De verdachte kon geen ontlastend bewijs leveren en zijn bekennende verklaringen werden ondersteund door aangiftes en processen-verbaal. De rechtbank constateerde dat de verdachte de misdrijven pleegde om zijn drugsverslaving te bekostigen en dat hij een patroon van recidive vertoonde, ondanks eerdere maatregelen en straffen.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan dertien vermogensdelicten, waaronder diefstallen met braak en een poging tot inbraak. Gezien de ernst van de feiten, de recidive en het gebrek aan respect voor andermans eigendom achtte de rechtbank het noodzakelijk om een ISD-maatregel op te leggen. Deze maatregel is bedoeld om het hardnekkige recidivepatroon van de verdachte te doorbreken, door hem te plaatsen in een gestructureerde omgeving waar hij intensieve begeleiding kan krijgen.
De rechtbank wees de verzoeken van de verdediging om de ISD-maatregel te beperken tot één jaar af. De rechtbank vond dat een kortere periode onvoldoende zou zijn om de noodzakelijke interventies uit te voeren en het recidiverisico te verminderen. De rechtbank onderstreepte het belang van een effectieve uitvoering van de maatregel en gaf de reclassering de opdracht om het traject voortvarend in te vullen.
Daarnaast werden de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. De rechtbank kende schadevergoedingen toe aan de slachtoffers van de diefstallen, waarvan de bedragen werden vermeerderd met wettelijke rente. In het geval van een niet-ontvankelijk verklaarde vordering, kon de benadeelde partij deze bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Tot slot werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen, omdat de rechtbank de ISD-maatregel op dit moment geschikter achtte voor het behalen van de beoogde doelen. De bijzondere voorwaarde verbonden aan de voorwaardelijke straf werd ingetrokken.
Al met al benadrukte de rechtbank het belang van bescherming van de samenleving tegen de door de verdachte veroorzaakte overlast en criminaliteit, en de noodzaak van een langdurige beveiligingsperiode. De uitspraak weerspiegelt de inzet van de rechtspraak om niet alleen strafrechtelijke maatregelen te treffen, maar ook om te werken aan structurele oplossingen voor recidive en maatschappelijke veiligheid.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




