De zaak in het kort
De Raad van State behandelde een beroep van Keivast vastgoedontwikkeling V.O.F. en andere belanghebbenden tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn. Dit besluit betrof de aanwijzing van een locatie aan de Ugchelseweg in Ugchelen voor het plaatsen van een bovengrondse container voor groente- en fruitafval (GF-container). De container is bedoeld voor bewoners van patiowoningen aan die weg. Keivast en anderen waren tegen deze locatiekeuze en voerden verschillende argumenten aan waarom de locatie ongeschikt zou zijn.
Het verloop van het proces en de feiten
Op 14 augustus 2024 besloot het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn een locatie aan de Ugchelseweg aan te wijzen voor een bovengrondse GF-container. Keivast en anderen stelden beroep in tegen dit besluit. Zij betoogden dat het besluit gebaseerd was op een verkeerde wettelijke grondslag en dat er geen noodzaak was voor de container op deze specifieke locatie. Daarnaast maakten ze bezwaar tegen de locatie vanwege mogelijke privaatrechtelijke belemmeringen en hinder zoals geuroverlast.
Tijdens de behandeling van de zaak op 7 november 2025 bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verscheen niemand ter zitting. Het college verdedigde de noodzaak en keuze voor de locatie, waarbij het aangaf dat de bestaande container aan de Molecatenlaan onvoldoende capaciteit had voor alle betrokken woningen. Het college wees ook op de toestemming van de Vereniging van Eigenaren (VvE) voor het plaatsen van de container op hun grond.
De beslissing van de rechtbank
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het college de locatiekeuze mocht baseren op artikel 4.29, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2014 in samenhang met artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit afvalstoffen APV 2023. Hoewel abusievelijk een verkeerde verwijzing werd gedaan in het besluit, was het besluit bevoegd genomen.
Verder oordeelde de rechtbank dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering was, aangezien de VvE toestemming had gegeven voor de plaatsing van de container. Ook was er volgens de rechtbank geen noodzaak om de locatiekeuze in twijfel te trekken, omdat de bestaande container aan de Molecatenlaan niet voldoende was voor de betrokken patiowoningen.
Ten aanzien van de beleidsregels concludeerde de rechtbank dat de aangewezen locatie voldeed aan de voorschriften over de afstand tot woningen. Er was geen beleidsregel die bepaalde dat een container niet in het zicht van een woning mocht staan. De rechtbank vond ook dat de gestelde geurhinder en hinder van ongedierte het college niet hoefden te weerhouden van het aanwijzen van de locatie, gezien de voorzorgsmaatregelen die werden genomen.
De rechtbank bekrachtigde het besluit van het college om de locatie aan te wijzen voor de GF-container en vond dat het college geen proceskosten hoefde te vergoeden. Het beroep van Keivast en anderen werd ongegrond verklaard, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de rechtmatigheid van het besluit van het college.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



