De zaak in het kort
De Raad van State heeft zich gebogen over een geschil tussen de Vereniging van Eigenaars van Het Tramhuys (VVE) en het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde. De zaak draait om een omgevingsvergunning die van rechtswege zou zijn verleend voor een horecagelegenheid in Ter Apel. De VVE betwistte de bevoegdheid van het college om een dergelijke vergunning te verlenen nadat de beslistermijn was overschreden. De rechtbank oordeelde dat het college onterecht een vergunning had verleend, aangezien er al een vergunning van rechtswege was ontstaan. De VVE ging in hoger beroep, en de Raad van State moest beslissen over de bevoegdheid van de rechtbank en de rechtsgeldigheid van de vergunningen.
Het verloop van het proces en de feiten
In de jaren 2015 tot en met 2018 heeft [vergunninghoudster] een uitbouw gerealiseerd aan een horecagelegenheid in Ter Apel. Om deze werkzaamheden te legaliseren, vroeg zij op 3 september 2019 een ontheffing aan voor het openbreken en wijzigen van een gedeelte van de openbare weg. Het college verleende op 3 maart 2021 een vergunning, maar de VVE maakte bezwaar, stellende dat de vergunning al van rechtswege was verleend door het overschrijden van de beslistermijn zoals bepaald in artikel 4:20b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op 24 juni 2021 verklaarde het college het bezwaar van de VVE gegrond, maar op 15 juli 2021 berichtte het college [vergunninghoudster] alsnog dat de vergunning van rechtswege was verleend. De VVE maakte hiertegen bezwaar, dat door de rechtbank als onderdeel van het beroep tegen het besluit van 24 juni 2021 werd behandeld. De rechtbank vernietigde het besluit van 24 juni 2021 en de vergunning van rechtswege, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De VVE ging hiertegen in hoger beroep.
De beslissing van de rechtbank
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de bevoegdheid had aangenomen om te oordelen over de vergunning van rechtswege. De vergunning van rechtswege, die op 18 oktober 2019 in werking trad, was namelijk een primair besluit waartegen bezwaar openstond. De rechtbank had het bezwaarschrift van de VVE moeten terugzenden naar het college voor behandeling. Verder oordeelde de Raad dat het besluit van 3 maart 2021 was herroepen en juridisch niet meer bestond. Het college had het bezwaar van de VVE gegrond verklaard en de vergunning van rechtswege bekendgemaakt, waarmee tegemoet werd gekomen aan de bezwaren van de VVE.
In haar uitspraak vernietigde de Raad van State de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking had op het beroep tegen de op 16 juli 2021 bekendgemaakte vergunning van rechtswege. De Raad verklaarde de rechtbank onbevoegd om van het bezwaar tegen deze vergunning kennis te nemen en droeg op het bezwaar terug te zenden naar het college. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend, en de Staat der Nederlanden werd veroordeeld tot betaling van €1.000 aan de VVE. Het college werd daarnaast veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de VVE.
De beslissing van de Raad van State onderstreept de noodzaak voor bestuursorganen om tijdig te beslissen op aanvragen voor omgevingsvergunningen en het belang van een zorgvuldige juridische procedure. Het bevestigt dat een vergunning van rechtswege ontstaat bij overschrijding van de beslistermijn, onafhankelijk van daarna verleende besluiten. De uitspraak biedt duidelijkheid over de behandeling van bezwaren en beroepen in dergelijke gevallen en benadrukt de gevolgen van het niet in acht nemen van wettelijke termijnen.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




