De zaak in het kort
In deze zaak speelde de vraag of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde bevoegd was om een vergunning te verlenen aan een horecagelegenheid voor het openbreken en wijzigen van een gedeelte van de openbare weg. De vergunninghoudster had in de jaren 2015 tot en met 2018 een uitbouw gerealiseerd aan de horecagelegenheid zonder de benodigde vergunning. Om deze werkzaamheden te legaliseren, had zij in 2019 een ontheffing aangevraagd. Het college verleende in 2021 een vergunning, maar de Vereniging van Eigenaars (VVE) van Het Tramhuys, dat tegenover de horecagelegenheid ligt, maakte bezwaar. De VVE stelde dat de vergunning van rechtswege was verleend omdat het college de beslistermijn had overschreden. De rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat de vergunning van rechtswege was verleend en vernietigde de door het college verleende vergunning. Tegen deze uitspraak stelde de VVE hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het verloop van het proces en de feiten
In 2015-2018 realiseerde de vergunninghoudster een uitbouw aan haar horecagelegenheid zonder de benodigde vergunningen. In 2019 vroeg zij een ontheffing aan op basis van de Algemene plaatselijke verordening (APV) voor het legaliseren van deze werkzaamheden. Het college verleende in maart 2021 een vergunning, waartegen de VVE bezwaar maakte, omdat zij vond dat de vergunning al van rechtswege was verleend door overschrijding van de beslistermijn. Het college verklaarde dit bezwaar gegrond en bevestigde dat er een vergunning van rechtswege was ontstaan.
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde in mei 2023 dat de vergunning van rechtswege op 18 oktober 2019 in werking was getreden en dat het college niet bevoegd was om in maart 2021 opnieuw een vergunning te verlenen. Het beroep van de VVE tegen de vergunning verleend door het college werd gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van de vernietigde vergunning bleven in stand omdat de vergunning van rechtswege was ontstaan. De VVE ging in hoger beroep tegen deze uitspraak bij de Raad van State.
De beslissing van de rechtbank
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak op 29 oktober 2025. In het hoger beroep voerde de VVE aan dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de vergunning van rechtswege had behandeld als onderdeel van het beroep tegen de vergunning van maart 2021. De Afdeling oordeelde dat de vergunning van rechtswege een primair besluit is waartegen bezwaar openstaat. De rechtbank had het bezwaarschrift van de VVE tegen de vergunning van rechtswege niet mogen behandelen als beroep en had het aan het college moeten terugsturen voor behandeling.
Verder oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2021 in stand had gelaten. Het college had inmiddels het besluit van 3 maart 2021 herroepen en was tegemoetgekomen aan de bezwaren van de VVE. De klacht van de VVE over het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2021 werd daarom afgewezen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover die zag op de vergunning van rechtswege en verklaarde de rechtbank onbevoegd om van het bezwaar tegen die vergunning kennis te nemen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afdoening van de zaak was overschreden met zeven maanden, wat resulteerde in een schadevergoeding van €1.000 ten laste van de Staat. Ook werd het college veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de VVE. De uitspraak maakt duidelijk dat de procedures rondom vergunningverlening en bezwaar zorgvuldig moeten worden gevolgd en dat het overschrijden van termijnen juridische gevolgen kan hebben.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




