De zaak in het kort
De rechtbank Amsterdam heeft een eindvonnis gewezen in een geschil over de kosten van funderingsherstel van een gemeenschappelijke muur. De zaak draait om de vraag of de Vereniging van Eigenaars (VvE) medeverantwoordelijk is voor de kosten die de eigenaar van een aangrenzend pand, de eiser, heeft gemaakt voor het herstellen van de fundering. De rechtbank heeft op basis van een deskundigenrapport vastgesteld dat de fundering in een zodanig slechte staat verkeerde dat herstel noodzakelijk was, zoals bedoeld in artikel 5:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De VvE is daarom verplicht om bij te dragen aan deze kosten.
Het verloop van het proces en de feiten
De juridische procedure begon met een dagvaarding, gevolgd door een eerste tussenvonnis op 14 september 2022 en een tweede op 14 december 2022. De kernvraag was of de VvE verplicht was bij te dragen aan de kosten van het funderingsherstel dat in 2020/2021 aan het pand van de eiser werd uitgevoerd. De rechter benoemde een deskundige om de staat van de fundering te beoordelen en te bepalen of herstel noodzakelijk was. De deskundige, ing. S. Boudestijn van De Funderingswinkel, onderzocht de fundering en stelde vast dat deze als “onvoldoende” moest worden geclassificeerd, met een verwachte herstelnodig binnen één tot vijf jaar.
De eiser voerde aan dat de slechte staat van de fundering en de classificatie als “code rood” volgens de F3O-richtlijn voldoende waren om aan te tonen dat herstel nodig was, mede omdat verder uitstel tot hogere kosten en overlast zou leiden. De VvE daarentegen betoogde dat de deskundige geen dringende noodzaak tot herstel had aangetoond en dat de fundering niet ernstig was aangetast, zoals in een vergelijkbare zaak eerder was vastgesteld.
De beslissing van de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de fundering op verschillende punten ernstige gebreken vertoonde, zoals doorgebogen en gebroken onderdelen van het funderingshout en slecht metselwerk. Deze gebreken maakten herstel noodzakelijk binnen een termijn van vijf jaar. De rechtbank vond dat hiermee aan de voorwaarden van artikel 5:65 BW was voldaan. Het verzoek van de VvE om nader onderzoek naar de oorzaak van de overbelasting wees de rechtbank af, omdat dit verzoek onvoldoende concreet was onderbouwd en bovendien te laat in de procedure werd ingebracht.
De rechtbank veroordeelde de VvE tot betaling van € 34.516,13 aan de eiser voor de kosten van het funderingsherstel, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werd de VvE verplicht om € 895,70 te betalen voor de door de eiser gemaakte kosten ter vaststelling van de schade. De VvE werd ook in de proceskosten veroordeeld, die op € 5.501,81 werden begroot, inclusief kosten voor de deskundige en de advocaat van de eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de VvE de bedragen direct moet voldoen, ook als zij in hoger beroep zou gaan.
De uitspraak benadrukt het belang van duidelijk vastgestelde gebreken en de noodzaak van herstel bij geschillen over gemeenschappelijke eigendommen. De zaak illustreert ook hoe deskundigenrapporten een cruciale rol spelen bij het vaststellen van de noodzaak tot herstel en de verdeling van kosten tussen eigenaren van aangrenzende panden. De rechterlijke beslissing biedt een precedent voor vergelijkbare geschillen waarin de staat van funderingen en de verantwoordelijkheden van eigenaren ter discussie staan.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.



