In een conflict tussen twee appartementseigenaren ging het om de vraag wie aansprakelijk is voor de vochtschade die is ontstaan in de badkamer van de onderbuurvrouw door een lekkage in de badkamer van de bovenbuurvrouw. De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam moest oordelen over de aansprakelijkheid voor de schade en de kosten voor het vaststellen en herstellen daarvan. Uiteindelijk werd de bovenbuurvrouw aansprakelijk gesteld voor de vochtschade.
Vochtschade door lekkage in de badkamer
De zaak begon toen de onderbuurvrouw, aangeduid als [eiser], een dagvaarding indiende tegen haar bovenbuurvrouw, [gedaagde], op 1 augustus 2025. [eiser] vorderde een schadevergoeding van € 4.620,02 vanwege vochtschade in haar badkamer, veroorzaakt door een lekkage in de badkamer van [gedaagde]. De vochtproblemen waren gemeld door de huurder van [eiser]. Diverse onderzoeken wezen uit dat de lekkage mogelijk werd veroorzaakt door gebrekkig voeg- en kitwerk in de badkamer van [gedaagde].
Onderzoek naar de oorzaak van de schade
[eiser] schakelde meerdere bedrijven in om de oorzaak van de lekkage te achterhalen. Onderzoeken door Building Your Roots B.V. (BYR) en [bedrijf 1] B.V. concludeerden dat het voeg- en kitwerk in de badkamer van [gedaagde] de vermoedelijke oorzaak was. [gedaagde] betwistte deze conclusie en verwees naar een ander onderzoek van Belfor B.V., dat muizenuitwerpselen als oorzaak aanwees. Desondanks bevestigde later onderzoek de eerdere bevindingen over het voeg- en kitwerk.
Aansprakelijkheid op basis van artikel 6:174 BW
De kantonrechter oordeelde dat [gedaagde] aansprakelijk was voor de schade die [eiser] had geleden. Volgens artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek is de eigenaar van een opstal aansprakelijk voor schade veroorzaakt door gebreken in die opstal. Het verkeerd aangebrachte voeg- en kitwerk werd als zodanig gebrek aangemerkt.
Vergoeding van kosten en procesbeslissingen
De rechtbank bepaalde dat [gedaagde] een bedrag van € 2.633,97 moest betalen aan [eiser]. Dit bedrag bestond uit € 742,50 voor onderzoekskosten en € 1.891,47 voor herstelkosten van het badkamerplafond. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat deze als onderdeel van de proceskosten werden beschouwd. [gedaagde] moest daarnaast de proceskosten van € 1.034,95 betalen.
In reconventie had [gedaagde] een tegenvordering ingediend om de kosten van het eerste onderzoek door Belfor, € 514,25, vergoed te krijgen van [eiser]. Deze vordering werd afgewezen omdat er geen juridische grondslag was om deze kosten op [eiser] te verhalen. De rechtbank suggereerde dat deze kosten mogelijk door de Vereniging van Eigenaars (VvE) konden worden vergoed, maar niet door [eiser].
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBAMS:2026:1354
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




